Interview met Peter van Gestel
Al dat heerlijke verdriet
Met Al dat heerlijke verdriet schreef Peter van Gestel een boek dat naadloos in zijn oeuvre voor kinderen past. Over goedgebekte schoffies, verdriet waarin je kunt verdwijnen en veranderingen in het kinderboekenvak.
Het is er weer een, een onvervalste. Tikkeltje groezelig, beetje eenzelvig ook, niet snel onder de indruk van de volwassenen om hem heen, goed gebekt, en erg dol op een ouder meisje in zijn omgeving, in dit geval: zijn zus. Jasper, tien, de hoofdpersoon in het nieuwe boek van Peter van Gestel (1937), past naadloos in het rijtje Van Gestel-figuren. Of ze nu Ko Kruijer of Thomas of Mariken of Sip of kleine Felix heten, ze hebben allemaal iets schoffieachtigs, iets buiten de lijntjes gekleurds, ook als hun vader een piekfijne kunstenaar is of hun moeder prachtig piano speelt. Ze denken malle gedachten tot ze er zelf tureluurs van worden. Vaak zit er ergens een groot verdriet waar beter niet over gezanikt kan worden – dat geeft maar gejank en daar zit niemand op te wachten. In Al dat heerlijke verdriet is het een gestorven vader die de boel ontwricht. Zomaar ineens zit hij dood op een bankje in het plantsoen. Daar heeft Jasper geen rekening mee gehouden. Wat moet hij met een dode vader? Van verdrietige zusjes weet hij weinig af, van ongelukkige moeders nog minder. Maar somber wordt het niet, daar is Van Gestel de schrijver niet naar. Je zou de titel van zijn laatste jeugdboek kunnen lezen als motto voor zijn gehele oeuvre (vijf jaar geleden bekroond met de Theo Thijssenprijs), waarin het tragische nooit verzandt in grauwheid of donkerte. De personages houden altijd iets laconieks, daar veranderen oorlogen, stervende ouders en zelfmoordplegende broers niets aan. ‘Ik kon niet slikken, en daarom kon ik ook niet huilen,’ constateert Jasper nuchter na het overlijden van zijn vader. Op sommige momenten heeft het verdriet zelfs iets prettigs, iets waarin je kunt verdwijnen. Of het verbroedert, zoals in het gelauwerde Winterijs (2001), waarin drie kinderen in het naoorlogse Amsterdam samen vier dode ouders te verwerken hebben. Regelmatig wordt in Van Gestels werk gehuiverd van genot als het om iets tragisch gaat. Een monter ‘niets aan te doen’ komt meerdere malen voorbij.
Volgens de schrijver worden zijn boeken vooral gelezen door ‘zorgelijke meisjes’. Hij grinnikt vanuit zijn stoel in zijn werkkamer in Amsterdam-Zuid, waar diep onder het raam de tram voorbij klingelt. Van Winterijs zijn 50.000 exemplaren verkocht, vast niet alleen door bleke meisjes met serieuze fronsrimpels en wiebelende brilletjes op hun neus. Datzelfde geldt voor Mariken (1997), zijn andere bestseller, bekroond met meerdere prijzen en succesvol verfilmd door André van Duren.
Uitgeverij Querido liet Al dat heerlijke verdriet vlak voor de Kinderboekenweek verschijnen, de zoveelste in Van Gestels carrière sinds hij in 1979 op 42-jarige leeftijd debuteerde als kinderboekenschrijver. Hoewel hij dat woord zelf niet graag gebruikt – kinderboekenschrijver. “Het is een vorm waar je voor kiest,” meent hij, “één waarin je iets kunt wat bij volwassenen niet kan. Het ligt niet aan de thematiek, de onderwerpen waarover ik schrijf kunnen evengoed in een boek voor volwassenen, maar dan mis je iets, hoe zeg je dat, het heeft te maken met het serieus nemen van kinderen. Het is een vorm waar ik veel aardigheid in heb.”
Hij heeft het kinderboekenvak in ruim dertig jaar zien veranderen. Zijn eerste boeken, na jarenlang schrijven voor volwassenen voor radio en televisie, kwamen voort uit verhalen die hij schreef voor de kinderrubriek en de dagelijkse kinderpagina voor Vrij Nederland en Het Parool: De Blauw Geruite Kiel en Goochem. “Ja, die had je toen iedere dag in de krant, ongelooflijk was dat. Mijn verhalen over Ko Kruijer verschenen een keer per week. Ze hadden me gevraagd voor een column, maar ze gingen akkoord met een feuilleton over een eigenaardige puber. Daarvoor kon ik putten uit m’n eigen middelbare schooltijd, hoewel dat niet het eigenlijke thema was; de mislukte liefdes van die jongen, een nogal hakkelend en struikelend joch, daar ging het om. Op de redactie zaten twee dames die m’n verhalen overtikten, zo ging dat in die tijd. De een was zeer enthousiast, maar in haar enthousiasme erg slordig, als zij werkte zaten er altijd veel fouten in. De ander was heel secuur, maar moest niks hebben van die stukjes van mij. Van 1982 tot 1987 heb ik over Ko Kruijer geschreven, toen hield de kinderpagina op te bestaan. Dat vond ik wel jammer. Die verhalen waren enigszins schatplichtig aan Carmiggelt, die had ik ook door Het Parool leren kennen. Carmiggelt kon slapstick schrijven, razend moeilijk is dat. Ik heb ook zo’n scène geschreven in Al dat heerlijke verdriet, iets met een kussen waarop iemand gaat zitten en dat niet meer loslaat als hij opstaat – er is weinig zo ingewikkeld als dat.”
Op het Kinderboekenbal gisterenavond heeft Van Gestel zich niet laten zien, dat is hem te veel een kinderaangelegenheid. “Op het Boekenbal komen toch ook geen lezers?” Het zou een feest voor mensen uit het vak moeten zijn, mensen van uitgeverijen en collega’s, vindt hij. Die laatste heeft hij voor zijn gevoel pas echt sinds hij na Winterijs overstapte van uitgeverij De Fontein naar Querido. Wim Hazeu, de uitgever bij wie hij al zijn boeken voor kinderen had gepubliceerd, hield ermee op, er was weinig dat hem nog aan De Fontein bond en bij Querido staken ze niet onder stoelen of banken dat ze hem graag zagen komen. Sindsdien spreekt hij regelmatig andere kinderboekenschrijvers en -illustratoren: Imme Dros, Daan Remmerts de Vries, Judith Eiselin, Martha Heesen, Marit Törnqvist. Allemaal reageerden ze direct toen zijn nieuwe boek verscheen.
“Een jaar of tien, vijftien geleden was ik gewend aan grote kritieken in de kranten. Er was meer ruimte voor kinderboeken. Een aantal critici was erin geslaagd het belang van het genre naar voren te brengen. Dat was aardig, het maakte het vak spannender. Ik had ook het idee dat prijzen meer werden gewaardeerd dan nu. Ze zouden terug moeten naar één Gouden Griffel waaraan ook de boeken voor 12+ meedoen. Geen aparte bekroningen voor 12+ en 12- en wat je tegenwoordig allemaal hebt. Aan het begrip ‘Gouden Griffel’ kleeft een soort magie. Alleen onder die naam kun je boeken uit het verdomhoekje halen.
Op televisie had je destijds Hanneke Groenteman, die in haar programma regelmatig aandacht aan kinderboeken besteedde. Toen Mariken lovend besproken werd, was het boek de volgende dag niet meer leverbaar. Zo’n programma heb je nu niet meer. Dat is droevig maar je doet er weinig tegen, er hangt nu eenmaal minder prestige om het vak. Dat is ook de wanhoop van uitgeverijen die niet meer weten hoe ze publiciteit moeten genereren. Kinderboeken zijn geen handel waarop je kunt vertrouwen. Ik vind het aardig om ze te schrijven en voor het geld hoeft het niet. In het verleden heb ik gemerkt dat een boek leuk opgepikt kan worden, maar je kunt er niet op rekenen en al helemaal niet op schrijven. Bij ieder nieuw verhaal moet je afwachten wat er gebeurt.”
Dat oplages in zijn begintijd zonder al te veel tamtam hoger waren, dat je weleens ‘zomaar’ een herdruk had – Van Gestel blijft er laconiek onder. “Het ging toen over de gehele linie wat beter.” Feller klinkt hij als het over het Kinderboekenweekgeschenk gaat. “Vroeger werd het afwisselend geschreven door een commerciële auteur en een meer literaire. Dat ging om en om. Tegenwoordig zullen ze je er niet voor vragen als je niet in staat bent een dansje met kinderen te maken. Alles is nu gericht op commercie. Ja, ik ben wel beledigd dat ze mij nooit hebben gevraagd. Als je ziet wie het allemaal hebben mogen doen. Maar iemand als Toon Tellegen zouden ze nu ook niet meer vragen. Ik weet ook eigenlijk niet of je het de CPNB kwalijk kunt nemen, het zal ook wel met de druk vanuit de boekhandel te maken hebben.”
Bovendien – ook als ze hem niet vragen schrijft hij door. “Niet schrijven vind ik vervelend. Goed, aan wel schrijven is ook weinig prettigs, het is rotwerk, maar als het lukt is het aardig. En als je ziet wat een lui iemand als ik door de jaren heen geproduceerd heeft, dan heb ik toch best behoorlijk wat geschreven. Voor ik begin zet ik een vioolconcert van Beethoven op. Als het publiek begint te klappen, loop ik m’n werkkamer binnen. Schrijven is een eenzaam beroep, zo’n applaus geeft een opmonterend gevoel.”
Al dat heerlijke verdriet
Peter van Gestel
Querido, € 13,95 (10+)









Reacties (0)