Reportage Heren van de thee

Hummelinck Stuurman

Geplaatst op woensdag, 30 december 2009. Categorie: Parool, Theater, Reportage

Heren van de thee, het theaterstuk naar het boek van Hella Haasse, is genomineerd voor de Toneel Publieksprijs en is de best bezochte toneelvoorstelling van het seizoen. Op 9 februari wordt de tournee afgesloten in Amsterdam. ‘Dit is wat wij doen: in de file staan.’

De bus is groot en groen en keurig op tijd. Op een vrieskoude dinsdagmiddag in december staat hij met ronkende motor te wachten op de brug bij de Da Costakade. Naar de Koninklijke Schouwburg in Den Haag gaat de reis, een ‘fijne speelplek’ met een ‘aandachtig publiek’. De acteurs hebben zich verzameld bij Hummelinck Stuurman Theaterbureau, nog geen honderd meter verderop, en komen in groepjes aanlopen. Ruim veertig keer hebben ze de voorstelling gespeeld en de sfeer is ontspannen. Hajo Bruins, Nienke Römer en Linde van den Heuvel installeren zich aan het kaarttafeltje, terwijl Hein van der Heijden direct doorloopt naar het bed achter in de bus (‘ik ga slapen’) en hoofdrolspeler Cees Geel – donkere jas, goudkleurige gympen, een grijze stoppelwaas over zijn kale hoofd – zich in een hoekje terugtrekt. Van te voren is hij nooit zo van de gezelligheid, verklaart hij kort, dan probeert hij zich te concentreren op zijn rol.

De afgelopen jaren heeft Hummelinck Stuurman zich toegelegd op voorstellingen over het Indische verleden van Nederland. Na Max Havelaar, De stille kracht, Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan en De Batavia is Heren van de thee het laatste deel van een koloniaal vijfluik. Regisseur Ger Thijs tekende voor het script, gebaseerd op de gelijknamige bestseller van Hella Haasse uit 1992.

Met Heren van de thee keerde de schrijfster voor het eerst sinds Oeroeg (1948) terug naar het Nederlands-Indië van haar jeugd. Voor haar roman verdiepte ze zich in de briefwisseling van een plantersfamilie uit het begin van de twintigste eeuw. Uit die documenten ontstond het verhaal over de ambitieuze Rudolf Kerkhoven die koste wat het kost een theeplantage wil vestigen in het woeste gebergte van de Preanger op Midden-Java. In zijn dadendrang gaat hij zo ver dat hij zijn vrouw vergeet, die onder zijn ogen steeds meer verzenuwt.

Met elf acteurs is Heren van de thee een dure productie, vertelt Femke Barendrecht van Hummelinck Stuurman, maar tot ieders tevredenheid loopt het stuk uitstekend. “36 van de 87 speelplekken waren op voorhand uitverkocht, een exceptioneel hoog aantal voor toneel. Van de theaters horen we dat het de best lopende toneelvoorstelling van dit seizoen is. In Amsterdam zijn er zelfs twee dagen bijgeboekt nadat de voorstellingen in januari direct waren uitverkocht.”

Het stuk wordt gespeeld van Heerenveen tot Kerkrade. “Dit is wat wij doen,” mengt Hein van der Heijden zich in gesprek, die zijn plekje op bed bij nader inzien verruilt voor een van de zachte stoelen aan een tafel met schemerlampje: “In de file staan. De gesubsidieerde repertoiregezelschappen beperken hun tournee steeds vaker tot de grote steden. Het gat dat daardoor ontstaat wordt gevuld door vrije producenten als Hummelinck Stuurman, die ook de theaters in de kleinere provinciesteden bespelen.” Hij gebaart naar het raam, waarachter de auto’s stapvoets voorbijtrekken. “Den Haag is nog te doen, maar naar Venray ben je zo vier uur onderweg.”

De aankomst bij de Koninklijke Schouwburg verloopt geroutineerd. Schone kostuums worden van hangertjes geschoven, de catering wordt uit de buik van de bus gehaald en de weg naar de artiestenfoyer is snel gevonden. Cees Geel verdwijnt naar z’n kleedkamer – hij eet niet mee. “Ik vind het vervelend om met een vol lijf op het podium te staan, het trekt ’t bloed uit je kop.”

Na de maaltijd stapt schouwburgdirecteur Oscar Wibaut de foyer binnen. Hij schudt handen, heet welkom en verklaart zich een gelukkig mens: “De voorstelling is uitverkocht, zo zien we het graag.”

Een fijne speelplek met een goede service, noemt Van der Heijden het theater. “Dat iemand spontaan servetjes op tafel legt gebeurt bijna nooit.” Actrice Oda Spelbos knikt: “Soms kom je na een urenlange busreis aan en is er niemand om open te doen. Dan sta je ergens diep in Limburg op een deur te bonzen.”

Ondertussen kruipen de wijzers van de klok richting acht uur en verdwijnen de acteurs een voor een naar hun kleedkamers. “Waar is mijn broek?” galmt het door de gang.

“Deze kamer was vroeger van Paul Steenbergen,” zegt Hajo Bruins en gebaart om zich heen. “Niemand anders mocht-em gebruiken, als hij niet speelde zat de deur op slot. Zulke privileges zie je tegenwoordig alleen nog bij first class principals in Van den Ende-musicals. Maar ja, die lui wonen ook bijna in hun kleedkamer.”

Uit een luidspreker aan de muur klinkt geroezemoes. “De zaal,” zegt Van der Heijden, terwijl hij zijn overhemd dichtknoopt. “Dat is handig voor de acteurs die niet voortdurend op het toneel staan. Cees is degene die in deze voorstelling de marathon loopt, de rest van ons is meer van de korte sprintjes. Tussen m’n scènes door zit ik hier een beetje te lezen, terwijl ik met één oor in de gaten houd wat er in de zaal gebeurt. Van elk theater weet ik hoe groot de afstand tot het podium is en hoe lang ik nodig heb om op tijd terug te zijn op het toneel.”

Van zenuwen lijkt niemand last te hebben. ‘Na zoveel avonden weet je het wel.’

De zaal druppelt ondertussen vol – veel grijs gekapte hoofden met hier en daar een jongere toeschouwer – en de acteurs maken zich op voor de voorstelling. Om kwart over acht dooft het zaallicht en in een sober decor met een strak lichtplan ontrolt zich de geschiedenis van de familie Kerkhoven. Terwijl Geel als oudste zoon Rudolf worstelt met de problemen op zijn afgelegen theeplantage, heeft Van der Heijden als zijn losbandige broer de lach aan z’n kont hangen. Nienke Römer transformeert in de tussentijd van verliefd jong meisje tot labiele plantersvrouw, omringd door welwillende, maar niet altijd even begripvolle familieleden.

Als de pauzebordjes aan springen klinkt een hartelijk applaus, maar in de gangen wordt ook gemopperd. “Ik verstond er niets van” en: “Kan het geluid niet harder?”

Een beschaafd en aandachtig publiek zoals meestal in Den Haag, constateren de acteurs in de artiestenfoyer. Geen hardnekkige hoesters, geen overdreven gelach of geschuif over stoelen. Een beetje rommelig gaat het wel, meent Dic van Duin, de éminence grise van de voorstelling. “Maar daar heeft het publiek geen last van.”

“Of het geluid harder kan?” Er wordt gelachen. “We spelen zonder microfoons.”

Na de pauze wordt de sfeer op het toneel snel grimmiger. De koppigheid van de Kerhovens drijft de familieleden uit elkaar en het tropische klimaat blijkt heilzamer voor thee dan voor mensen. Aan het eind van het stuk staan alle personages met lege handen – treurig en verbitterd.

Een monolitische figuur, noemt Geel Rudolf Kerkhoven na afloop achter een biertje in de foyer. “Niets kan hem van zijn doel afbrengen, maar een rotzak is hij niet; hij voelt een grote liefde voor zijn vrouw en kinderen. Dat is het mooie aan deze voorstelling: niemand is uitsluitend goed of slecht, de sympathie van de toeschouwer verspringt voortdurend.”

Met zijn bewerking heeft Ger Thijs een sobere, strakke voorstelling gemaakt, vindt hij. “Er is sterk op argumentatie geregisseerd, in het spel houden we het klein. Dat kan ook niet anders, er moet zoveel verteld worden, als je dat met grote gebaren doet leidt dat af van het verhaal.”

Een strenge tekstregisseur, noemt de jonge acteur Martin Willem van Duijn Thijs, maar wel een die openstaat voor de inbreng van acteurs. “Ger wil gewoon dat zijn tekst goed wordt uitgesproken,” repliceert Linde van den Heuvel. Logisch, zegt Geel: “Tot de première is het zijn ding, zijn naam staat eronder.”

Hij herkent zich in de onverzettelijkheid van zijn personage. “In West-Friesland waar ik vandaan kom heb je ook van die types: harde werkers, maar niet in staat emoties te uiten. Rudolfs ambitie maakt hem blind voor zijn omgeving, uiteindelijk laat hij een spoor van vernietiging na. Zelf houd ik ook van hard werken, ik kan er veel energie in kwijt. Als acteur moet je weten wanneer je moet pieken. Dat is de reden waarom je me van te voren niet ziet, dan sta ik op stand-by, ik spaar m’n kracht voor de voorstelling. Voor m’n collega’s is dat misschien niet altijd even gezellig, maar het is het een of het ander.”

Heren van de thee, Hummelinck Stuurman Theaterbureau. 2 en 3 januari (uitverkocht) en 8 en 9 februari in de Stadsschouwburg, 9 januari in De Meervaart. www.hummelinckstuurman.nl

Social Bookmarks

Reacties (0)

Reageer op dit artikel

Vul aub uw naam en e-mailadres in. Het e-mailadres wordt niet getoond op de website.

Annuleer Reactie wordt geplaatst...