Interview met Edwin van Balken
Directeur DeLaMar Theater
Edwin van Balken weet het nog precies. Zestien was hij en op zijn brommer reed hij naar het Mickery Theater aan de Rozengracht, een verbouwde bioscoop waar vanaf begin jaren zeventig alternatief theater werd gebracht. Van Balken: “Het begon al bij de entree. Daar stonden een naakte man en vrouw, vrij dicht bij elkaar. Om binnen te komen moest je tussen hen door. Niet frontaal, maar een kwartslag gedraaid, waarbij je moest kiezen of je met je gezicht naar de man of naar de vrouw gekeerd passeerde. Buitengewoon spannend, vond ik het. Zo breed kun je theater dus invullen, dacht ik.”
Daar en toen ontwaakte zijn liefde voor theater. Of nee, er was nog een ander moment, eerder, vijfde klas lagere school. Met de klas gingen ze naar het Scapino Ballet, een kleurrijke voorstelling, Van Balken vond het magisch. Van zijn klasgenoten die zaten te fluisteren en op hun stoelen zaten te schuiven, begreep hij niks. “Ik was ontdaan, vond het onbegrijpelijk dat ze geen aandacht hadden voor de mensen die daar stonden.” Het respect dat hij toen voor de artiesten op het toneel voelde, ervaart hij nog steeds als hij in een theaterzaal zit. Wat hij sinds ruim een jaar vaker doet dan ooit: als directeur van het vernieuwde DeLaMar Theater bezoekt hij soms vijf voorstellingen per week. Zijn vrouw en twee dochters van acht en elf jaar oud zien hem minder vaak sinds hij deze baan heeft, geeft hij toe. “Maar ik hoef me nog niet aan hen voor te stellen als ik ze tegenkom in de badkamer.” En voordelen heeft het ook, ’s avonds werken. De werkdag begint wat minder vroeg, hij is zo’n vader die ’s ochtends vaak bij het schoolplein staat. Zijn dochters gaan trouwens regelmatig mee naar het theater, vinden ze leuk. “Ik zit weleens met ze in de bioscoop met zo’n 3D-bril op m’n neus. Hoe 3D wil je het hebben, denk ik dan, kom eens naar het theater.”
Het is Van Balkens eerste baan in de theaterwereld. Eerder werkte hij als commercieel directeur bij de NS Stations en als manager retail bij Amsterdam Airport Schiphol. Het adagium ‘ik heb van mijn hobby mijn werk gemaakt’ is hem op het lijf geschreven, sterker, lijkt voor hem bedacht. Een tweede huis, noemt hij zijn werkplek om de hoek van het Leidseplein. Zijn eerste staat op vijftien minuten treinen in het ‘relatief rustige en groene’ Haarlem. Hij hecht er veel waarde aan de bespelers van zijn theater van tevoren te ontvangen, na afloop een drankje met hen te drinken, te horen of alles naar wens is gegaan. En hij peilt de stemming van het publiek. Was het het uitje waarop ze hadden gehoopt? Van Balken: “Wij willen mensen het gevoel geven van een écht avondje uit. Daarvoor moet de voorstelling van goede kwaliteit zijn, maar dat is niet genoeg. De hele entourage staat in dienst van dat gevoel. Dus zijn de mensen die hier werken erop getraind om altijd te kijken hoe het beter kan. Niemand weet hoe aardig je gisteren was. Maak het bijzonder voor de mensen, zeg ik altijd, teer niet op de dag van gisteren, begin elke avond opnieuw vanaf nul en geef jezelf voor honderd procent. Een glimlach kost niets, maar de gasten hebben wel een leukere avond. Hoe je mensen in je theater ontvangt, bepaalt of ze terugkomen of niet.”
De formule werkt. Het eerste jaar trok het DeLaMar ruim 350.000 bezoekers. Dat is een mooie score voor een theater dat vijf, zes jaar dicht is geweest, zegt Van Balken. Niet alleen het gebouw werd tot op de grond afgebroken, ook het publiek moest opnieuw de weg naar het theater worden gewezen. Er waren hoogtepunten. De openingsmusical La Cage aux Folles: lovende kritieken, enthousiast publiek. Een uitverkochte Hans Teeuwen, idem voor Ronald Goedemondt. Bijgeboekte voorstellingen voor When Harry met Sally. Het bijhorende Grand Café kreeg een 9+ van Johannes van Dam – ja, óók nog.
Af en toe was er een kleine strop. Internationale artiesten bleken soms moeilijk onder de aandacht van het publiek te brengen. André van Duin moest wegens stemproblemen zijn voorstellingen afzeggen. En er deed zich een structureler probleem voor, hoewel probleem misschien niet het juiste woord is: het bestaande theateraanbod bleek onvoldoende om twee zalen van 943 en 601 stoelen 365 dagen per jaar te programmeren. Producenten en impresariaten moeten nog wennen aan de wens van het DeLaMar om toneelvoorstellingen in series van meerdere weken te laten spelen, zegt Van Balken – en dan liefst óók nog exclusief in het DeLaMar. “Ons aanbod bestaat uit musical, cabaret en toneel, tijdens de schoolvakanties aangevuld met jeugdvoorstellingen en incidenteel muziek, dans en literatuur. In Nederland wordt voldoende musical geproduceerd om mee uit de voeten te kunnen. Cabaret is een andere kwestie. Een cabaretier moet het fijn vinden om hier te spelen. Sommigen hebben een geschiedenis met Carré of De Kleine Komedie, die staan dan daar en niet bij ons. Ja, er zijn er wel een paar die ik steviger aan ons zou willen binden, natuurlijk, maar dat komt wel, daar heb ik vertrouwen in. Nee, ik ga geen namen noemen. Waar het me nu vooral om gaat is toneel. Wij zijn op zoek naar toegankelijke stukken van hoge kwaliteit, komedies vooral. Ik was blij met Expats van Het Toneel Speelt, die voorstelling werd door iedereen hier omarmd, ook al waren de recensenten het niet met ons eens. En een stuk als Doek! van Maria Goos voelt als een echte DeLaMar-voorstelling. Daar willen we er wel meer van. Zulke stukken worden naar mijn gevoel te weinig vanuit de sector aangeboden. Dat probleem hebben we een aantal keren aangekaart bij producenten. Je kunt dan ook het heft in eigen hand nemen. Al tijdens mijn sollicitatieprocedure hebben we het idee verkend om zelf voorstellingen te produceren. Toen was onze eerste zorg het theater op de kaart te zetten. Nu, met de ervaring die we het eerste jaar hebben opgedaan, hebben we besloten een eigen productiehuis op te richten: Stichting DeLaMar Theaterproducties. Sinds we dat bericht naar buiten hebben gebracht, hebben verschillende theatermakers zich bij ons gemeld voor een opdracht, ook uit het gesubsidieerde circuit. Je ziet dat de grenzen vervagen, dat zal met de druk op de subsidies alleen maar meer gebeuren. In Engeland is dat al heel normaal.”
Ja, hij zal zelf leiding geven aan de nieuwe productiekern. Dat kan er ook nog wel bij. Hij heeft er veel zin in: “Ik was altijd al zo’n idioot die het leuk vindt om toneelstukken te lezen.” Die hobby wordt nu dus ook werk. Met toneelseries die bij succes verlengd kunnen worden, hoopt Van Balken zich als theater nadrukkelijker te kunnen onderscheiden en beter in te spelen op de behoeften van de wispelturige consument. “Flexibiliteit is niet de sterkste kant van het theatervak. Iedereen zet elkaar vast, in mei verschijnen de theaterbrochures waarin de komende twaalf maanden vastliggen. Zelf heb ik het afgelopen jaar een paar plekjes in de programmering open gelaten om succesvoorstellingen te laten terugkomen. Toen Joan Collins onverwacht naar Nederland kwam, hadden wij plek. Die flexibiliteit is ook nodig voor evenementen, in de zakenwereld wordt beslist niet twee jaar vooruit gepland. Ik kom uit het bedrijfsleven. Daar is samenwerking veel vanzelfsprekender dan in het culturele veld. Hier is de bescherming van de eigen identiteit zo’n hoog goed. Ik geloof dat je elkaar kunt versterken. Je kunt allemaal heel hard piepen, maar één goede schreeuw komt beter aan. Zo hebben we onlangs met alle Amsterdamse theaters een mailing verstuurd over jeugdvoorstellingen die tijdens de kerstvakantie spelen. Wat ik graag zou willen is een groot bord op het Leidseplein: What’s going on tonight? De nieuwe film met Tom Cruise in City, een integratiedebat in De Balie, André van Duin in het DeLaMar, band zus of zo in Paradiso. Daar profiteert iedereen van, ook de horeca. Dan raakt het Leidseplein misschien ook z’n imago van patatcultuur kwijt. Theater schijnt geen primaire levensbehoefte te zijn, maar daar ben ik het niet mee eens.” En de crisis? “Crisis en theater gaan niet samen. Kijk maar naar de jaren dertig, toen zaten de kerken en theaters vol. We kunnen ons zorgen maken over wat ons boven het hoofd hangt, we kunnen ook het positieve benadrukken.”
Edwin van Balken (47) studeerde bedrijfskunde aan de VU in Amsterdam. Sinds 1 november 2010 is hij directeur van het DeLaMar Theater, dat vanaf volgend jaar onder zijn leiding ook toneel gaat (co)produceren. Die producties zullen vooralsnog gedurende een langere speelperiode exclusief in het DeLaMar Theater te zien zijn. Het eerste jaar hebben ruim 350.000 bezoekers de 625 voorstellingen bezocht. De gemiddelde zaalbezettingsgraad was 70%. Eerder werkte Van Balken onder meer als commercieel directeur bij de NS Stations en als manager retail bij Amsterdam Airport Schiphol.





Reacties (0)