Van huisdier tot held
Huisdieren van tekenaars in prentenboeken
Met het thema ‘Beeldtaal in kinderboeken’ staan deze Kinderboekenweek (6-16 oktober) illustraties centraal. Tekenaars blijken opvallend vaak hun huisdieren te portretteren. Een rondgang langs honden, poezen, paarden, konijnen en een aap die niet Bokito heet.
Zo dik als de pony die over de bladzijdes van Ridder Florian (2006) galoppeert, zijn ze in werkelijkheid niet, de twee Fjordenpaarden die staan te grazen in het weitje naast de atelierwoning van tekenaar Philip Hopman. Maar wie goed kijkt herkent in het volumineuze paardje van ridder Florian de Bange (die vandaag een draak moet vangen) de blonde manen van Vita (hoewel het ook Jannie kan zijn, de forsere van de twee).
Hopman liet zich voor het prentenboekenverhaal van Marjet Huiberts inspireren door zijn eigen menagerie en niet voor het eerst. Zijn whippet (een windhond), die twee jaar geleden naar de eeuwige jachtvelden vertrok, werd geportretteerd in verschillende boeken, waaronder Stimmy of het oerwoud in de stad, het speciale Prentenboek voor de Kinderboekenweek dit jaar dat hij samen met Gouden Griffel-winnaar Daan Remmerts de Vries maakte. Dubbelkunstenaar Remmerts de Vries schreef het verhaal over stadsjongetje Stimmy, dat zich tussen de hoge wolkenkrabbers van New York een leven in het oerwoud droomt. Hij was ook degene die de compositie opzette met kleurige collages. Hopman tekende er met zijn potloden en penselen mensen, dieren, huizen, auto’s en een enkele rollator in, waarna Remmerts de Vries de compositie voltooide. Behalve zijn hond heeft Hopman nog enkele andere huisdieren de bladzijdes binnen gesmokkeld. Zijn Hollandse blauwen – stoere, hoog op de poten staande kippen – die in werkelijkheid niet ver van het paardenweiland resideren, scharrelen in het boek aan Stimmy’s voeten op een imaginair strand. ‘Dáár wil Stimmy zijn! Waar het oerbos naast de zee groeit, wil hij wonen in een hut…’
Of tekenaars meer van dieren houden dan andere mensen is nooit onderzocht. Feit is dat ze in grote getale figureren in prenten- en kinderboeken: als beest of met menselijke manieren, gehuld in eigen vacht of met kleren aan. Vaak stonden bestaande dieren model. Een bekend voorbeeld is de Engelse schrijfster en illustratrice Beatrix Potter (1866-1943), die als kind haar zomers doorbracht in het Lake District. Daar raakte ze zó geïnteresseerd in flora en fauna dat ze logboeken vol informatie aanlegde, waarvoor ze diverse beesten (van kikkers en padden tot dassen en konijnen) in huis haalde die ze niet alleen met een ‘wetenschappelijk’ oog bestudeerde, maar ook koesterde als huisdieren. Later zouden vele van hen opduiken in haar kinderboeken, met als bekendste personage Peter Rabbit. Op eenzelfde manier brachten de konijnen in de Egmondse duinen Dick Bruna in de zomer van 1955 op het idee voor Nijntje. Bruna bracht de beweeglijke, pluizige dieren terug tot een plat, picturaal beeld, waarmee een wereldster geboren was.
Martijn van der Linden zocht en vond zijn inspiratie niet in de natuur, maar in de dierentuin. Enkele jaren geleden werkte hij aan een reeks dierenschilderingen met een op wild life foto’s geïnspireerde techniek: scherp ingezoomde beesten, verfraaid met sieraden en patronen, tegen een wazige achtergrond. Zijn partner Maranke Rinck zou de beelden later aaneensmeden tot het poëtisch reisverhaal Het prinsenkind (2004), waarin alle uitheemse dieren hun eigen podium kregen. Van der Linden woonde destijds om de hoek bij Diergaarde Blijdorp in Rotterdam waar hij zijn materiaal regelmatig bekeek; hij moet de dingen – en in dit geval dieren – eerst zien voor hij ze kan schilderen. Zijn gorilla vertoont verrassende overeenkomsten met Bokito, maar blijkt het bij navraag niet te zijn. Wie dat niet weet zou zweren dat Nederlands beroemdste aap vóór zijn gewelddadige uitstapje geduldig voor de tekenaar poseerde.
Soms speelt een illustrator leentjebuur bij de auteur. De verhalen die Mies Bouhuys in de jaren zestig schreef voor de vrouwenpagina van Het Parool over haar zwarte en gestreepte katten Pim en Pom baseerde ze op haar eigen huisdieren. Pim en Pom die op de typemachine spelen, Pim en Pom die het water uit de bloemenvaas opdrinken waarna de bloemen verwelken – het is allemaal echt gebeurd. Fiep Westendorp, bekend van haar Annie M.G. Scmidt-creaties, tekende de katten zoals ze waren, zei Bouhuys eens in een interview met journaliste Aukje Holtrop. De schrijfster woonde op de Prinsengracht, Westendorp schuin aan de overkant op de hoek van de Runstraat. Regelmatig liep ze even bij Bouhuys binnen om de dieren te observeren. “Katten kunnen niet praten,” aldus Bouhuys, “katten doen geen spelletjes. Maar als je als mens met bepaalde ogen naar een kat kijkt, dan kun je er heel dicht bij komen, dan zie je dat het een beetje een mens is. Dat kon Fiep heel goed laten zien. (…) Ze heeft zich ongemerkt die karaktertjes eigen gemaakt door goed naar ze te kijken.”
Het bekendste Nederlandse prentenboekenpersonage dat wortelt in de werkelijkheid is waarschijnlijk Dikkie Dik: Jet Boeke baseerde haar Sesamstraat-creatie op haar eigen rode kater. Nog zo’n beroemde boekenheld is Rintje van Sieb Posthuma. Met de aanschaf van de Friese foxterriër haalde Posthuma in 1993 zijn muze in huis. Rintje ging dagelijks met hem mee naar zijn atelier aan een Amsterdamse gracht. Als vingeroefening begon hij zijn witte hond met hier en daar een donkere vlek in allerlei posities te tekenen. De schetsen vormden in 2001 de aanzet tot het eerste prentenboek waarvoor hij ook zelf de tekst schreef: Rintje. Toen hij niet veel later gevraagd werd de avonturen van zijn viervoeter wekelijks te verslaan op de NRC-kinderpagina, groeide het zwart-witte huisdier uit tot een nationale held, die door kinderen op straat herkend werd, fanmail ontving en op zeker moment bekender dreigde te worden dan zijn baas. Inmiddels is de echte Rintje overleden, maar zijn alter ego leeft voort in de verhalen in de krant en in de verschillende Rintje-bundels die verschenen.
En niet alleen daar. Collega en buurtbewoonster Marit Törnqvist portretteerde hond en baas in de versjesbundel Jij bent de liefste (2000), waarin het tweetal langs een nachtelijke Amsterdamse gracht wandelt. Zo schilderde ze ook haar eigen konijn Björke in haar nieuwste prentenboek Jij en ik en mijn rode fiets (2010). Naamloos hopt het over de bladzijdes, peuzelt zwijgend aan een blaadje sla, het ene oor fier rechtop, het andere slap langs haar kop.
Wel een naam kregen de katten in het debuut van Daan Remmerts de Vries. Net als bij Mies Bouhuys waren het de karakters van de echte Zippy en Slos die hem op het idee brachten voor een reeks verhalen. Ze werden uitgebracht onder de titel Zippy en Slos (1990) en verbeeld met zwart-witte linoleumsneden. Op die tekeningen werd de oorspronkelijk zwart-witte Slos getransformeerd tot een slungelachtige streepjeskat om het contrast met de wat dikkige, eveneens zwart-witte Zippy, groter te maken – een tekenaar moet soms praktisch zijn. Later zou het duo opnieuw opduiken in Circus Pingies (2006), nu in kleur.
Echte dieren in fictieve verhalen. In literatuur voor volwassenen duiken soms personages op met een verzonnen naam, die door ingewijden worden herkend als bekenden uit de omgeving van de schrijver – zo’n boek heet dan een sleutelroman. Het begrip is nooit gebruikt als het om dieren in kinderboeken gaat, maar wie zich in het onderwerp verdiept, ontdekt dat tekenaars hun huisdieren en masse in hun boeken laten opdraven: het prentenboek als sleutelroman.





Reacties (0)