Wat leest... Micha Wertheim
Micha Wertheim (1972) is cabaretier, columnist en kinderboekenschrijver. Hij schrijft columns voor Vrij Nederland en publiceerde de kinderboeken Duimelot (2002) en Hoe Lima een lekke band kreeg (2010). Op dit moment staat hij in het theater met zijn vijfde programma Micha Wertheim voor de zoveelste keer. Maar Micha Wertheim is meer dan een getalenteerde grappenmaker en publicist – hij is ook een lezer.
Otje
‘De verhalen die mijn vader ’s avonds aan mijn broer en mij vertelde gingen vaak over twee jongetjes. Hun belevenissen leken erg op wat wij die dag hadden meegemaakt. Van mijn moeder herinner ik me dat ze stukken voorlas uit de krant. Een column of een artikel van iemand die eindelijk zei wat wij al jaren dachten. In ons stapelbed las mijn broer me voor uit De brief voor de koning. Ik ben dyslectisch. In elk derde woord dat ik schrijf zit een spelfout. Als ik moet signeren of in een theater iets in het gastenboek moet schrijven voel ik me altijd opgelaten. Zelfs in mijn eigen naam maak ik weleens een fout. Op school werd mijn dyslexie snel gediagnosticeerd. Dat ik dom was heb ik daardoor gelukkig nooit gedacht. Mijn ouders hebben allebei psychologie gestudeerd en zijn zich grondig in het onderwerp gaan verdiepen, daarover was toen minder bekend dan nu. Om een enigszins leesbaar handschrift te ontwikkelen heb ik van mijn zesde tot mijn zestiende elke middag schrijfoefeningen moeten doen. Was een schriftje vol, dan werd dat beloond met een boek, vaak van Astrid Lindgren. Op school lag ik achter met lezen. Op m’n tiende begon ik aan Pinkeltje en las de hele serie achter elkaar. Daarna ben ik echt van boeken gaan houden. Rond diezelfde tijd verhuisden we voor een jaar naar Amerika. Mijn moeder gaf me Otje mee naar school. “Als je niet snapt waar het in de klas over gaat, kun je dat lezen,” zei ze, maar ik had daarvan gemaakt: “Als ik Otje uit heb kan ik Engels.” Het kostte me veel moeite om de juf duidelijk te maken waarom het zo belangrijk was dat ik bleef lezen.’
Gedichten
‘Op mijn Nederlandse school moesten we klassikaal lezen. Als de voorlezer een fout maakte, klapten de andere kinderen met hun hand op tafel en las de volgende verder. Daardoor ging ik lezen associëren met falen. Het ging altijd over waar je slecht in was, op al mijn rapporten stond: spelling moet beter. In Amerika hadden ze een Gifted and Talented Programm; de nadruk lag op de dingen waar je goed in was, een verademing. Ik kwam in een poëzieklasje waar we met een dichteres gedichten schreven.
Door dat jaar Amerika vond ik Engels op de middelbare school een leuk vak. Dat kwam ook door de leraar. Tijdens de eerste les liet hij ons het gedicht ‘The Sick Rose’ van William Blake lezen waarvan iedereen zijn eigen interpretatie mocht geven. Alles was goed, zo lang je verhaal maar consistent was. Voor mijn was die gedachte een doorbraak: als je las kon je dus zelf bedenken waar het over ging! Lezen is zo persoonlijk, het is een manier om je even te verzoenen met je eigen eenzaamheid en onmacht. Als een docent je dan vertelt dat jouw interpretatie niet klopt is dat hetzelfde als horen dat je karakter niet klopt. Bij deze leraar mocht je ook songteksten van je favoriete band op de lijst zetten – het ging hem om tekstbegrip, niet om de status van de tekst.’
Blauwe maandagen
‘Voor de lijst las ik Boudewijn Büch en Adriaan van Dis, die beschouw ik een beetje als overgangsschrijvers tussen de boeken van Lemniscaat en de volwassenenliteratuur. Die Lemniscaatboeken hadden iets magisch; je wist dat je zo’n dik boek met een acht op de rug moest hebben. Toen ik net studeerde verscheen Blauwe maandagen van Arnon Grunberg. Dat boek kwam zo verschrikkelijk dicht bij mijn eigen belevingswereld. Voor het eerst realiseerde ik me dat je dus ook literatuur kon maken van de werkelijkheid zoals ik die zag. Ik hield van Vestdijk en Hermans, maar die schrijvers waren veel ouder dan ik, bij hen voelde ik me meer een buitenstaander. Grunberg was een generatiegenoot. Bij verschijning kreeg zijn boek een paar slechte kritieken. Er werd gemopperd over zijn taal en de herhalingen die niet functioneel zouden zijn. Ik heb Grunberg toen een briefje geschreven. Ik was bang dat zijn boek door die negatieve ontvangst in de vergetelheid zou raken. Laat ze maar lullen, schreef ik hem. Later hebben we nog weleens afgesproken. Of het klikte? Ik had zijn boek gelezen, hij mijn brief, zulke ontmoetingen waren het.’
Different Ways of Seeing
‘Different Ways of Seeing van John Berger was voor mij het boek dat me op het spoor van mijn studie Cultuur en Wetenschapstudies zette. Berger schakelt in zijn werk moeiteloos tussen essayistiek en fictie. Ook aarzelt hij niet zo nu en dan een tekening op een pagina achter te laten. Dat boek ging over hoe je naar kunst kunt kijken. Ik houd van boeken die zich onttrekken aan een al te strikte genre-indeling. Mij noemen ze cabaretier of columnist of kinderboekenschrijver, maar zelf vind ik vooral interessant wat daar tussen gebeurt.
Tijdens mijn studie schreef ik een scriptie over Kafka. De tekst was voor mij het uitgangspunt, niet dat hij Duitser was of schrijver of zich bezighield met filosofie. Ik houd van zijn werk, het is aangrijpend, maar heeft ook veel humor. Het deed mij goed te lezen dat Kafka zijn eigen boeken ook heel grappig vond. Het schijnt dat toen hij zijn vriend Max Brod Die Verwandlung voorlas hij voortdurend zat te gieren van het lachen.’
Etgar Keret
‘In de auto naar het theater luister ik veel audioboeken. Heen en terug ben ik al snel drie uur onderweg, op die manier heb je in twee weken een boek uit. Ik lees voornamelijk in het Engels. Een paar vrienden die goed in het aanbod thuis zijn zeggen me wat ik niet mag missen. Daar zitten veel hedendaags schrijvers tussen, wat dat aangaat is mijn smaak vrij conventioneel. Zadie Smith, Jonathan Franzen. In Tom McCarthy’s Remainder vond ik inspiratie voor mijn laatste voorstelling Micha Wertheim voor de zoveelste keer. Als ik aan een voorstelling werk lees ik meer essays dan fictie, daar kan ik mijn eigen preoccupaties beter in kwijt.
Mijn lievelingsschrijver is de Israëlische Etgar Keret, die is zo verbijsterend goed. Hij schrijft korte verhalen, bijna nooit langer dan twee bladzijdes. Het is een soort magisch realisme, qua sfeer komt het in de buurt van Kafka. Toen ik zijn werk ontdekte had ik hetzelfde als met Grunberg: wow, je kunt van mijn belevingswereld dus een boek maken! Keret heeft ook een kinderboek geschreven over een vader die bij zijn gezin wegloopt omdat hij bij het circus wil. Dat weglopen doet hij tijdens de holocaustherdenking; iedereen staat stil dus dat is het moment. Als er van Keret een nieuwe bundel verschijnt ben ik helemaal in de hemel.’





Reacties (0)