Wat leest... Daniël Samkalden

‘Mijn bibliotheekboeken bracht ik nooit terug’

Geplaatst op zaterdag, 17 december 2011. Categorie: Wat leest..., Tijdschrift Lezen

Daniël Samkalden (1979) is kleinkunstenaar, zanger, acteur, regisseur en schrijver van liedjes en theaterteksten. Zijn eerste programma Daniël Samkalden won de Eerste Prijs, zijn laatste, Ik en de wereld waarmee hij vanaf januari opnieuw langs de theaters reist, werd genomineerd voor de Neerlands Hoop. Half februari start de tournee van de theaterbewerking van Mama Tandoori, waarvoor Samkalden het script schreef, en in april staat hij in Amsterdam een maand in de Bellevue Lunchtheatervoorstelling Oorlog, een toneelstuk van zijn eigen hand. Maar Daniël Samkalden is meer dan een veelzijdig theatermaker – hij is ook een lezer (sinds kort).

Vlinder voor Marianne
‘De eerste twaalf jaar van mijn leven woonde ik met mijn vader en moeder en twee zussen in een oud huis in Bussum. Thuis waren er altijd boeken. Mijn ouders zijn geen fanatieke lezers, maar die boeken waren er op de een of andere manier wel. M’n moeder las me voor uit De kleine kapitein en de Thule-trilogie van Thea Beckman. Toen zij stopte met voorlezen, stopte ik ook met boeken. De drempel helemaal zelf een boek uit te zoeken en open te slaan, was me blijkbaar te hoog. Af en toe probeerde ik het, dan ging ik naar de bibliotheek, maar die boeken bracht ik nooit terug. Soms mochten we een boek uitkiezen in de boekhandel, dat vond ik leuk hoewel dat meer met materialisme te maken had dan dat ik stond te springen om het te verslinden. Vlinder voor Marianne heeft destijds een diepe indruk op me gemaakt. Geen idee meer waar het over ging.’

Miepie
Het huis waar ik opgroeide is nog gebruikt als decor voor de opnamen van Kinderen voor Kinderen, mijn zussen zongen erbij en op m’n zevende volgde ik. Ook weer niet vanuit gedrevenheid of tekstbewustzijn, maar omdat ik wou doen wat m’n zussen deden. M’n debuut was “Miepie”, een solo over een poes die een vogel heeft vermoord. Ik werd er zelfs nog op aangesproken toen ik al begonnen was als kleinkunstenaar. Zeiden mensen twintig jaar later dat ze me herkenden van tv, terwijl ik m’n best deed met m’n werk wat bekendheid te verzamelen. Onder andere Herman van Veen en Toon Hermans schreven liedjes voor Kinderen voor Kinderen in die jaren, met hen heb ik nog samen gezongen. Ik heb twee dagen in het huis van Toon mogen rondzwerven om met hem een liedje op te nemen, ik had geen idee. Toen hij 75 werd, zong ik Mijn vader is een clown voor hem in het sportpaleis in Antwerpen. Ik was twaalf en wankelde lijkbleek het toneel op. Daar begon mijn podiumangst, die ik pas op de Toneelschool overwon.’

Robert Long
‘Ik had een negen voor m’n mondeling Nederlands. Van de twintig boeken had ik er denk ik één gelezen. Ik dacht: ik moet aan het woord komen en zorgen dat dat zo blijft en dat lukte. Met uittreksels heb ik me er doorheen gebluft. Bij andere talen ging het net zo. Ik vond het allemaal heel vermoeiend, had weinig interesse in lezen. Ik hield er op zich wel van, maar kon het moeilijk volhouden, de meeste boeken las ik tot pagina 60. Het raarste is misschien dat ik toen aan een studie Nederlands begon in Amsterdam. Ik denk omdat ik schrijver wilde worden. Binnen drie weken liep ik acht boeken achter, toen ben ik maar gestopt. Daarna ben ik psychologie gaan doen en daarna nog rechten. Het werd allebei niks. Toch was ik heel verontwaardigd dat m’n ouders m’n bijlage wilden stopzetten. Op dat moment had ik al wel auditie gedaan voor de Toneelschool en daar viel alles alsnog op z’n plek. Op de middelbare school was ik begonnen liedjes te schrijven. Mijn zus schreef gedichten waarvan ik onder de indruk was, dus probeerde ik het ook. Ik ben opgegroeid met de teksten van Robert Long, die ik zo’n beetje heilig had verklaard. Dat zegt overigens niet zoveel, want het was ook de tijd dat mijn goudvis het belangrijkste was in mijn leven. Later vond ik de teksten van Robert Long gepolijst, moralistisch en nichterig. Al doe ik hem daarmee achteraf tekort, want zijn liedjes zijn wel vaak gevoelig, geladen en zitten altijd goed in elkaar.'

Ask the Dust
‘Pas sinds ik beter weet wat ik wil, ben ik meer gaan lezen. Ik ben nu leergieriger dan op school, waar ik alles als een opdracht zag. Op dit moment lees ik vijf boeken naast elkaar. Dat is meer overmoed dan indrukwekkend. Eating animals van Jonathan Safran Foer kreeg ik van een vriendin. Niet om me over te halen vegetariër te worden, dat ben ik al. Ask the Dust van John Fante heb ik bijna uit. Met een groepje krijg ik Engelse les van een goede vriendin die in Engeland is opgegroeid. Ik vind mijn woordenschat te beperkt en mijn uitspraak te lullig. We lezen Engelse klassiekers en verder eten en drinken we met name, terwijl we in het Engels converseren. Dit boek uit 1939 gaat over een jongen  die naar LA gaat om carrière te maken als schrijver en verscheurd raakt tussen hoogmoed en zelfhaat.’

Leven en lot
‘Daarnaast ben ik bezig met research voor m’n eigen boek dat ooit moet verschijnen bij de Bezige Bij. Vijf jaar geleden heb ik er een contract getekend en het zou nog wel eens vijf jaar kunnen duren voor het af is – het kost me tijd om precies te weten wat ik wil. Het hoofdpersonage is kosmologe en daarom lees ik The elegant universe van Brian Green, een toonaangevende wetenschapper op het gebied van de stringtheorie. Ik vind het specifieke Engels vrij pittig, maar het boek is sensationeel.
Verder lees ik De tweeling van Tessa de Loo, ook beroepshalve, omdat er een muziektheatervoorstelling van gemaakt gaat worden. En ik ben net begonnen in Leven en lot van Vasili Grossman, dat me werd aanbevolen door de regisseur van de voorstelling Oorlog die ik schrijf. De situatie in het stuk deed hem denken aan een scène uit dit boek. Ik ben hem nog niet tegengekomen, maar ik heb ook nog zo’n negenhonderd bladzijdes te gaan.’

Mama Tandoori
Parallel aan Oorlog ben ik bezig met het script voor de theatervoorstelling van het boek Mama Tandoori. Zojuist heb ik nog uitvoerig geskyped met de schrijver, Ernest van der Kwast, die in Italië woont. Het is een fijne samenwerking, Ernest is een flexibele denker. Hij hangt niet aan de oorspronkelijke vorm van z’n succesvolle boek, dat vind ik knap. Verder kan hij goed in mijn script zijn eigen toon injecteren. Het is mijn eerste boekbewerking voor toneel. Mijn zwager Tommy Wieringa raadde me aan het te doen, toen ik benaderd werd en het boek nog niet gelezen had. Nadat ik de garantie had gekregen dat ik de ruimte en de artistieke vrijheid kreeg om het geheel naar mijn eigen inzicht in te vullen, heb ik de opdracht aangenomen. Het ingewikkelde is dat het boek een verhalende geschiedenis zonder werkelijk plot is. Op toneel moet ik een vorm vinden waardoor het in het hier en nu gaat spelen. In mijn bewerking wordt het het verhaal van een jongen die zich door het schrijven van een boek ontworstelt aan de greep van zijn dominante moeder. Het prettige van een boekbewerking is dat het basismateriaal er al ligt, daar hoef je alvast niet meer over na te denken.’

Social Bookmarks

Reacties (0)

Reageer op dit artikel

Vul aub uw naam en e-mailadres in. Het e-mailadres wordt niet getoond op de website.

Annuleer Reactie wordt geplaatst...