Interview Bas Hoeflaak en Peter van de Witte
Droog Brood, Dat wordt oorlog
10 mei gaat Dat wordt oorlog van kleinkunstduo Droog Brood in première. Sinds eind januari touren Bas Hoeflaak en Peter van de Witte met hun programma in wording langs Nederlandse theaters. Wat alvast duidelijk is: hun personages zullen elkaar weer veelvuldig verkeerd begrijpen. ‘Miscommunicatie, dat is waar onze voorstellingen over gaan.’
Wat eraan het interview vooraf ging:
‘Wanneer beginnen jullie met repeteren?’
‘2 januari.’
‘Kan ik een repetitie bijwonen, om een indruk te krijgen?’
Stilte.
Dan: ‘Nou, om dingen uit te proberen doen Bas en ik die eerste weken vooral gek.’
‘Gek?’
‘Omdat we ons onbespied wanen.’
‘En als ik kom kijken – ’
‘…’
‘Dan wanen jullie je niet meer onbespied.’
‘Nee.’
Dus werd het een café op de hoek van het Amstelveld aan het eind van een kilkoude wintermiddag. Met mutsen en sjaals komen Peter van de Witte (1975) en Bas Hoeflaak (1973) binnengewaaid. Dat het buiten bar en onstuimig is, maar de vierde repetitiedag goed verlopen is. Dat Peter in eerste instantie degene is die alles noteert wat ze bedenken omdat die ‘een neuroot is en een typecursus heeft gedaan’. En dat het nu tijd is voor bier.
Drie weken hebben ze voor ze het theater in gaan. Drie weken om een nieuwe voorstelling te verzinnen, te repeteren en te monteren – is dat niet een beetje kort? Maar zo moet je dat dus niet zien. Die eerste maand in het theater spelen ze maar één keer per week, nog zonder decor en lichtplan en altijd in kleine zaaltjes – theater Pepijn in Den Haag, het dorpshuis in Oostknollendam, dat soort plekken. De maand daarop wordt het speeltempo opgevoerd tot twee keer per week, maar ook dan is hun programma nog niet rond. Pas in mei is de première. De vijf, zes voorstellingen daaraan voorafgaand kun je vergelijken met try-outs zoals die bij toneel plaatsvinden, dat zijn volwaardige voorstellingen. Alles daarvóór valt onder de noemer openbare repetities, ze hebben het publiek nodig om hun ideeën uit te proberen. Hoewel openbare repetitie de lading niet helemaal dekt, corrigeren ze zichzelf; de mensen komen graag kijken, weten ze inmiddels. Bovendien, kort?
Hoeflaak: ‘We hebben het zelf zo gepland.’
Van de Witte: ‘Voor ons vorige programma Een frisse wind hadden we een forse repetitieperiode en aansluitend een lange tournee.’
Hoeflaak: ‘Dan zie je elkaar erg vaak.’
Van de Witte: ‘We dachten: als we hier nog lang mee willen doorgaan, moeten we zuinig zijn op onszelf en op elkaar. En misschien wat korter repeteren.’
Hoeflaak: ‘Voor onze eerste voorstelling hebben we een jaar gerepeteerd.’
Van de Witte: ‘Voor die daarna negen maanden.’
Nu, met hun zesde programma Dat wordt oorlog, zitten er krap vierenhalve maand tussen de eerste repetitiedag en de première. En dat is dus niet te kort, denken, vinden, weten ze allebei. Want als je weinig tijd hebt, ga je efficiënter werken. Hoeflaak: ‘Vroeger deden we in de eerste fase geen reet. Gingen we een hele middag wandelen of naar het museum onder het mom van inspiratie.’ Van de Witte: ‘Dat is er nu niet meer bij, eigenlijk wel zo prettig.’
De titel Dat wordt oorlog was er lang voor er ook maar één scène op papier stond. ‘We wilden iets met familie, in de breedste zin van het woord,’ zegt Hoeflaak. Van de Witte: ‘Dan kun je met een “echte” familietitel komen, maar als het tijdens de repetities dan een andere kant op gaat, zit je met een probleem. Dat wordt oorlog is een titel die heel erg bij deze tijd past.’ Hoeflaak: ‘En in verband met het thema familie vonden we -em ook wel grappig.'
In hoeverre bloedverwantschap werkelijk in de voorstelling terugkomt, kunnen ze in dit stadium nog niet zeggen. Maar in de scènes waar ze nu aan werken komen situaties voor die ze allebei herkennen van verjaardagen uit hun jeugd. Hoeflaak: ‘Dat je denkt: dit zou kunnen gebeuren met een groep koffie drinkende mensen in een kring.’
Bas Hoeflaak en Peter van de Witte leerden elkaar kennen op de Amsterdamse Academie voor Kleinkunst. Ze ontdekten dat ze een bewondering deelden voor Freek de Jonge, Carver, John Cleese en Van Kooten en De Bie. In 2000 wonnen ze het Amsterdams Kleinkunst Festival, een jaar later presenteerden ze hun eerste programma Teer. Daarin zetten ze de toon met een reeks absurdistische, toneelmatige sketches, die inmiddels is uitgegroeid tot hun handelsmerk. Het menselijk onvermogen keert telkens terug. Hun humor schuilt in de vervreemding, soms in slapstickachtige situaties. De vergelijking met Toon Hermans is gevallen, recensenten noemden Jiskefet, Gummbah en Mr Bean. Als kleinkunstduo werden ze genomineerd voor de belangrijkste cabaretprijzen: de Neerlands Hoop en de Poelifinario. Naast hun gezamenlijke optredens opereren ze los van elkaar: Hoeflaak als acteur en onderdeel van het satireteam van het Avro-radioprogramma Vrijdagmiddag Live, Van de Witte als componist en tekstschrijver.
Na een jaar vooral dingen met anderen te hebben gedaan, weten ze weer waarom ze graag met elkaar werken. Omdat ze elkaar zo goed kennen. Omdat ze precies weten wat hun gedeelde smaak is en wat de ander leuk vindt. Van de Witte: ‘Hoe meer je ernaast doet, hoe duidelijker wordt hoe bijzonder het is dat je helemaal je eigen ding mag en kán maken. Dat je daar ook van kunt leven, van al die flauwekul die je met z’n tweeën verzint. Hoe vaak komt het nu voor dat je een voorstelling maakt, waarbij je echt met een wit doek kunt beginnen? Dat kan bijna nergens. Er is altijd wel een producent of een artistiek leider die meekijkt. Hoe vrij je ook gelaten wordt binnen zo’n systeem – ’
Hoeflaak: ‘De enige die er bij óns tussen zit, is óf Peter, óf ik.’
Van de Witte: ‘We kunnen alles doen wat we willen, want uiteindelijk zijn we ook zelf als enigen de lul als het misgaat.’
In een recensie van jullie vorige programma noemt De Telegraaf Peter de aangever van jullie twee.
Hoeflaak: ‘Ik vind juist dat er bij ons geen sprake is van een duidelijke aangever en afmaker, die rollen draaien we steeds om.’
Van de Witte: ‘We maken geen scènes waarbij we er rekening mee houden dat ik de aangever zou zijn, zo werkt dat niet. Maar ik vind wel dat Bas de meest uitgesprokene van ons tweeën is.’
Hoeflaak: ‘Ja, heel uitgesproken.’
Van de Witte: Dat is toch zo? Jij bent het meeste een komiek.’
Hoeflaak: ‘We doen soms wel aan een vorm van typecasting.’
Van de Witte: ‘Maar dat komt doordat jij heel beperkt bent in je mogelijkheden.’
Hoeflaak: ‘Nee echt, we proberen de rollen zo te verdelen dat we doen waar we goed in zijn. We draaien het ook altijd nog een keer om tijdens de repetitie, maar meestal houden we toch wat het beste werkt.’
Van de Witte: ‘Eigenlijk zijn we er niet zo mee bezig, met dat aangever-afmaker gedoe.’
Hoeflaak: ‘Maar als het dan over je geschreven wordt in een vijf sterren-recensie…’
Van de Witte: ‘Dan gaan wij geen ingezonden brieven sturen.’
Voorstellingen maken vanuit een innerlijke noodzaak de wereld iets te moeten vertellen, hebben Hoeflaak en Van de Witte nooit gedaan. Eigenlijk willen ze de mensen gewoon aan het lachen maken.’Ik denk niet dat er ooit één Nederlandse cabaretier is geweest die met zijn maatschappijvisie iets aan de wereldgeschiedenis heeft veranderd,’ zegt Hoeflaak. Of het moet Youp van ’t Hek zijn geweest met zijn Buckler-sketch. Maar ook die stond niet op een dag op met de gedachte de firma Heineken om zeep te helpen.'
Hoeflaak: ‘Op televisie zie je allerlei mensen die leuk doen op een manier waarvan ze denken dat mensen het leuk zullen vinden.’
Van de Witte: ‘Wij proberen alleen te maken wat we zelf zouden willen zien als we een kaartje hadden gekocht.’
En dat is, voor de duidelijkheid, dus geen geëngageerd theater. Vanaf het begin al niet, zegt Hoeflaak. ‘Het heeft een soort tijdloosheid, wat wij doen.’ Niettemin werd van Een frisse wind gezegd dat het programma meer dan eerdere voorstellingen aansloot op de tijdsgeest. Toch dat vleugje maatschappijkritiek? Nou, het is ook weer niet zo dat ze niets over de wereld waarin we leven willen zeggen, zeggen ze. Van de Witte: ‘Maar als je dat soort teksten erin stopt, wordt het bijna altijd drammerig. Het mooiste is als je verhaal uit de opeenstapeling van scènes spreekt, zonder dat je de dingen benoemt.’
Naast ons tafeltje verschijnt de bardame met een klant, die de vorige dag iets heeft laten liggen. Ze praat hard over het vermiste kledingstuk, het gesprek aan tafel hapert. Hoeflaak, zodra de vrouwen weer vertrokken zijn: ‘Dat moeten we onthouden, Peter, iemand die te hard praat.’
Een te hard pratende vrouw zou als personage inderdaad niet misstaan in een Droog Brood-voorstelling.
Delen jullie een compassie voor de afwijkende, onhandige, sociaal onaangepaste medemens?
Hoeflaak: ‘Ja. Ik heb dat tenminste wel. Het scheelt toch heel weinig of je zit zelf aan de straat. Ik vindt dat soort mensen vaak heel ontwapenend, vriendelijk, misschien ook omdat ze weinig te verliezen hebben.’
Van de Witte: ‘Het sociale ongemak dat uit onze scènes spreekt komt in mijn geval voort uit mijn eigen gehannes. Ik ben geen patiënt of zo, maar het gaat niet altijd allemaal vanzelf, ik moet wel even een knopje omzetten.’
Uiteindelijk komen ze er steeds weer op uit, zegt Hoeflaak: ‘Miscommunicatie, dat is waar onze voorstellingen over gaan.’
Van de Witte: ‘Onze personages staan alleen letterlijk dicht bij elkaar, ze bereiken elkaar niet.’
Hoeflaak: ‘Terwijl ze dat wel heel graag willen.’
Ervaren jullie dat zelf ook zo?
Van de Witte, beslist: ‘Met iedereen. Met Bas, met mijn vriendin – iedereen.’
Hoeflaak: ‘Eigenlijk denk ik dat alle mensen dat hebben.’
Van de Witte: ‘Echt samen bestaat gewoon niet. Dat is de grootste ellende van alles, volgens mij.’
Droog Brood, Dat wordt oorlog. Tournee 21/1 t/m 7/6, première 10/5.
www.droogbrood.nl





Reacties (0)