Sabine Snijders over de kostuums van Faust
Het Nationale Toneel
Paspoort
Wie: Sabine Snijders (1960)
Wat: kostuumontwerpster van Faust door het Nationale Toneel, regie Johan Doesburg
Opleiding: Modeacademie, maar wist vanaf dag één dat dat niet haar richting was.
Sindsdien: kostuumontwerpster voor theater en film.
Recente producties: Moord in de kerststal (RO Theater, Pieter Kramer), Amazones (RO Theater, Gerardjan Rijnders), Branden (RO Theater, Alize Zandwijk), TBS (Pieter Kuijpers), Vreemd bloed (Johan Timmers).
Typerend: aan haar werk zit altijd een randje; ze houdt niet van ‘schoon’, het moet een beetje schuren.
Uitspraak: ‘Het gaat om het personage, niet om de acteur.’
Beeldtaal Faust: rafelig, groezelig, anachronistisch, vaal.
Werkwijze
‘Ik werk associatief. Een ander maakt aantekeningen, ik denk in beelden. Zo creëer ik een mix van stijlen, een soort collages van beeltenissen. Bladerend door die moodboards weet ik weer: o ja, ik wilde materialen bespuiten met verf om een zekere mate van degrade (kleurverloop, red.) te bereiken. Of: deze stof moest iets poederachtigs krijgen. Andere ideeën komen spontaan op in het atelier, zoals de verknipte bruidsjurken van de sirenen. De kleermakers waren geschokt toen ik de schaar erin zette. Kleding moet wringen. Niet letterlijk, een pak mag ook te groot zijn, een vreemd naadje hebben, smoezelig van kleur zijn – als het maar niet helemaal klopt. Wringen is interessanter dan perfectie, het prikkelt het publiek net een seconde langer te kijken. Voor mij staat het personage centraal, niet de acteur, al moet die zich wel comfortabel voelen in zijn kostuum. Bij het Nationale Toneel hangen nog oude, belegen pakken en vuilige pruiken uit de tijd van de Haagsche Comedie. Die worden nu weer ingezet, ze passen prachtig in een stuk over een keizerrijk in verval.’
Mefisto (Stefan de Walle)
‘De duivelse Mefisto gaat een weddenschap aan met God. Die twee acteurs vormen elkaars tegenbeeld: Stefan de Walle is uitzonderlijk lang, Hans Leendertse klein en compact. Dat contrast heb ik aangescherpt door Stefan een kostuum te geven waarin hij nóg langer lijkt: laarzen, een hoge broek, een kort jasje. Op die manier versterken hun silhouetten elkaar.’
God (Hans Leendertse)
‘Velen denken bij God aan Morgan Freeman of John Malkovich in de Nespresso-reclame. Zo’n man in een mooi wit pak Alleen: een acteur in een mooi pak is een acteur in een mooi pak. Als ik dat op toneel zie kan ik constateren dat het goed staat en vast veel geld heeft gekost, maar daarna ben ik er klaar mee. Ik wil iets toevoegen aan een personage, ervoor zorgen dat hij een soort lift krijgt zodat hij een bepaald aspect van zijn rol niet meer hoeft te spelen en zich op iets anders kan concentreren. God is boven iedereen verheven, hij is de absolute nummer één. In plaats van een sjiek maatpak heb ik Hans een wit trainingspak gegeven met daarop in geborduurde gouden letters: “I’m the nr. 1.” Dat deel van zijn rol hoeft hij nu niet meer in spel te vangen.’
Faust (Jaap Spijkers)
‘Faust begint oud, wordt dan jong en eindigt weer oud. Hoe verwezenlijk je dat met kleding? De oude Faust is een wetenschapper, een alchemist, een alleskenner. Ik heb hem een korset gegeven om hem te verdikken, hij puilt uit zijn te kleine jasje. Zonder korset, met een ander overhemd, oogt Jaap slank en jong. De broek had ik meteen gevonden. Het is een ouderwets ding, eigenlijk begon het als een probeersel, tijdens het doorpassen in het repetitieproces kijk ik dan of het werkt. Toen Jaap de broek aantrok, wist ik intuïtief: dit is -em. Normaal staat een acteur tijdens de première in een nieuwe pantalon op het toneel, dat is nu beslist niet het geval.’
Gretchen (Sophie van Winden)
‘Faust valt voor Gretchen, een meisje nog, en raakt met passie vervuld. Ik wilde haar breekbaarheid tonen, maar niet één op één. Sophies gezicht wordt porseleinachtig wit geschminkt. Had ik haar zuiverheid willen versterken, dan had ik gekozen voor een blonde pruik maar dat werd me te engelachtig, dus Sophies pruik is zwart. Haar katoenen jurkje was aanvankelijk wit. Ik heb het gewassen met een grijzige verf, de absolute schoonheid moest er vanaf. Ook Sophies benen krijgen een krijtwittige kleur. Daarover draagt ze huidkleurige stockings, waardoor een vlekkerig effect ontstaat dat haar kwetsbaarheid onderstreept. Gretchens zelfmoord mocht niet te realistisch verbeeld worden. Nu bloeden haar ogen: rode strepen over haar wangen vermengd met zwarte mascara – de suggestie van de dood zonder al te grote ingrepen. Net als bij kleding houd ik ervan als make-up niet al te keurig is. Tussen de scènes door staan de grimeurs klaar met babydoekjes om de gezichten schoon te maken, maar dat gebeurt niet al te grondig. Er mogen best resten van een eerdere scène doorschemeren in de schmink van een volgende.’
Poedel (Pieter van der Sman)
‘Mefisto doet zich in eerste instantie aan Faust voor als een poedel. Hij wordt door Pieter van der Sman gespeeld in een balletmaillot met kniebeschermers. Johan vond dat al zo goed werken dat hij zei verder nauwelijks meer iets nodig te hebben. Ik heb toch nog een hondenkop gecreëerd, een kruising van iets ruigs en een poedel.’
Hoeren
‘Blote hoeren liggen te veel voor de hand, spannender is het naakt te bedekken. Ik heb een dunne huidkleurige stof gevonden. Die hebben we beschilderd met latex en daarop zijn rubberen tepels bevestigd. Het heeft iets ranzigs, vulgairder dan echt bloot.’
Martha (Juul Vrijdag)
‘Juul Vrijdag speelt Martha, de buurvrouw van Gretchen, een aanwezige, volkse vrouw. Onder haar jurk draagt ze geen bh, bovendien heb ik kipfilets aan haar kostuum toegevoegd: vleeskleurige vullingen die normaalgesproken worden gebruikt om het decolleté op te stuwen, maar onder een strak, plat makend truitje juist de indruk wekken dat de borsten nog meer hangen. Juul is niet ijdel, ze vindt het geen punt om zo lelijk te worden gemaakt. Voor mij is het een cadeau als iemand daar volledig voor durft te gaan.’
Studenten
‘In Auerbachs Keller laat Mefisto Faust kennismaken met het studentenleven. Die studenten had ik kunnen verbeelden als traditionele korpsballen, maar liever wilde ik een Clockwork Orange-achtige stemming. Niet exact als in de film, maar wel met diezelfde dreiging. De acteurs dragen bijvoorbeeld collegejasjes, maar dan heel licht van kleur, waardoor het weer iets van een golfclub krijgt. Tegelijkertijd ademt het ook een Duitse historische sfeer zónder dat het historisch verantwoord is. Eigenlijk zijn het allemaal verschillende stijlen door elkaar, er is geen eenduidig beeld.’
Engelen
‘God in zijn trainingspak heeft iets ordinairs, daar mocht wel iets theatraals tegenover staan. De engelen die hem omringen dragen blonde pruiken met daarin een snoer van brandende lichtjes. Hun sereniteit wordt doorbroken door de net iets te strakke, halfdoorschijnende vleeskleurige jurkjes; die trekken heel erg, waardoor alles net een beetje scheef gaat zitten. Daaroverheen dragen ze lichtkleurige strokengewaden die de illusie van veren wekken en tegelijk iets boa-achtigs hebben. Zulke kostuums kunnen niet in de wasmachine. We gebruiken sous-brasses, halve maantjes van stof die met drukkertjes in de kleding worden vastgezet onder de oksel en het zweet opvangen. Wodka helpt ook. Als je de transpiratieplek daar direct na de voorstelling mee dept, vervliegt de zweetlucht met de alcohol.’





Reacties (0)