Joost van Wijmen over de kostuums van Buurman en Buurman

Theater Familie

Geplaatst op zondag, 03 april 2011. Categorie: Interview, TM, Jeugdtheater

Paspoort
Wie: Joost van Wijmen (1975)
Wat: Kostuumontwerper van Buurman & Buurman gaan verhuizen door Theater Familie (Senf Theaterpartners), regie Bruun Kuijt
Opleiding: Theatervormgeving aan de Hogeschool voor de Kunsten (HKU), Kunsthochschule Berlin-Weissensee
Sindsdien: Kostuumontwerper en docent aan de HKU
Recente producties: Einstein, sneller dan het licht (Het Filiaal, Monique Corvers), Spring Awakening (M-Lab, Paul Eenens), Mevr. Ophelia (Het Filiaal, Ramses Graus), Ootje Sei (STIP producties, Sanne Zweije)
Typerend: Alle keuzes die je maakt met betrekking tot materiaal en snit dragen bij aan het visuele verhaal dat je vertelt.
Uitspraak: ‘Een kostuum bestaat alleen binnen de context van de voorstelling. Los op een hanger is het niks meer.’
Beeldtaal Buurman & Buurman: Oversized, fanée, vrolijk.
2 acteurs // 2 kostuums (in tweevoud) // geen pruiken // geen kleedsters // geen grimeurs
www.joostvanwijmen.nl, www.buurmandemusical.nl

Werkwijze
‘Toen Senf Theaterpartners me benaderde voor Buurman & Buurman moest ik denken aan Nijntje, de Musical. Ik assisteerde destijds Arno Bremers. Net als Nijntje is de voorstelling gebaseerd op bestaande figuren, in dit geval uit de gelijknamige Tsjechische animatieserie. Werken binnen zo’n vaststaand kader vraagt een ander soort aanpak en creativiteit dan een “vrije” voorstelling als Einstein, sneller dan het licht. Het visuele beeld ligt er al, maar je moet nog wel de vertaalslag maken naar het theater. Van platte tv-figuren – ook al is de animatie driedimensionaal – naar levende acteurs op het toneel. Het postuur van de buurmannen Pat en Mat uit de serie doet denken aan baby’s en puppies: grote hoofden, lange romp, korte beentjes. Die verhoudingen zijn bij acteurs lastig te beïnvloeden. Pim van Alten en Don van Dijke hebben niet alleen hun eigen lichaamsbouw, maar ook een uitstraling die je in de keurslijven van de kostuums moet zien te behouden. Daar komt bij dat de buurmannen letterlijk gaan verhuizen en de voorstelling bijna negentig keer moeten spelen. De kostuums moesten dus niet alleen goed zitten, maar ook van stevig materiaal zijn. Dan lijkt het logisch om voor degelijk en makkelijk draagbare kleding te gaan, maar ik vond het interessanter om aan te sluiten bij de beeldtaal van de televisiepoppetjes – ook als dat ten koste van het comfort ging.’

Broeken
‘De spijkerbroeken van de tv-buurmannen vallen niet vloeiend om hun benen. Ik ben op zoek gegaan naar “bokkig” materiaal, stof die zich niet naar het lichaam voegt, en kwam uit bij neopreen. Dat is dat spul waarvan ze surfpakken maken. Ik heb het gebruikt als basismateriaal om de verhoudingen van de personages te benaderen. Het werkt anders dan dikmaakpakken. Die zijn niet alleen warm en oncomfortabel, ze geven de acteurs ook iets grotesk. Pat en Mat moeten op toneel meer zijn dan twee hilarisch uitziende mannetjes, je moet ook van ze gaan houden. Op de neopreen is spijkerstof aangebracht met duidelijk zichtbare stiklijnen. Grafisch, net als in de serie, maar dan uitvergroot en doorgeregen met wolgaren in plaats van naaimachinegaren – ook op de achterste rij moet je het kunnen zien. De plaatsing van de zakken op de broek luisterde nauw. Die zitten normaal ter hoogte van de heup, maar bij Pat en Mat zitten ze ongeveer op hun knieën. Als ze hun meetlint of duimstok erin stoppen doen ze dat met gestrekte armen. Die lage zakken helpen om het gedrongene van de tv-poppetjes te bereiken.’

Truien
‘De truien waren lastiger dan de broeken. Ze moesten oversized en zwaar zijn om zo ook het postuur te vervormen, maar niet té. Ik heb allerlei soorten wol besteld. De kleur moest een beetje fanée zijn, verschoten, verflenst. Nu het decor af is, blijkt dat een goede keuze te zijn; het decor heeft ook geen felle tonen. De truien zijn met dubbele draad gebreid in tricotsteek. Als materiaal kwam ik uit bij katoengaren met een paar procent acryl. Katoen voert vocht beter af dan wol, het is prettiger tegen zweterigheid. Nadeel is wel dat de vorm minder goed blijft. Wol krult na het wassen terug in vorm, katoen niet. Ik heb er een kleine wasinstructie bij geschreven, dat doe ik voor al mijn kostuums. Dat vind ik het aardige aan dit vak: het gaat om de inhoud, maar er is ook altijd die praktische kant.’

Mutsjes
‘Typisch aan de tv-mannetjes is dat de mutsjes heel hoog zitten, waardoor hun kale hoofden extra groot lijken. Ik heb een tijdje getwijfeld. Moesten de acteurs afgeplakte kaalkoppen krijgen? Gebreide bivakmutsen in huidskleur met oortjes? Dat laatste leek mij wel aardig, maar de acteurs waren erop tegen. Die hebben in Nijntje eerder vader en opa Pluis gespeeld waarbij hun hoofden helemaal waren ingepakt met grote lycra konijnenoren. Dat wilden ze niet nog eens. Bovendien raak je met ingepakte gezichten een deel van de expressie kwijt, terwijl je juist wilt dat de acteurs zich met het publiek verbinden. Het was dus zoeken naar een balans tussen het artificiële en twee mensen van vlees en bloed. Uiteindelijk werden het mutsjes waaronder het haar van de acteurs zichtbaar is.’

Schoenen
‘De schoenen heb ik laten maken bij Van Beers in Kaatsheuvel, daar zijn ze gespecialiseerd in theaterschoeisel. Het moesten gekke zwarte schoenen worden met mooie bolle neuzen. Ze zijn zwaar en een beetje lomp en doen iets met de motoriek van de acteurs – hun manier van lopen wordt erdoor beïnvloed. Voor het ontwerp heb ik voetomtrekken gemaakt. Dat heb ik geleerd toen ik assisteerde bij het Nationale Ballet; bij spitzen werkten we ook altijd zo.’

Social Bookmarks

Reacties (0)

Reageer op dit artikel

Vul aub uw naam en e-mailadres in. Het e-mailadres wordt niet getoond op de website.

Annuleer Reactie wordt geplaatst...