Interview Simon van der Geest

Geplaatst op vrijdag, 01 april 2011. Categorie: Kinderboeken, Parool, Jeugdtheater, Interview

Zondag speelt in jeugdtheater De Krakeling Mijn vriend wordt soms een neushoorn, een tekst van Simon van der Geest. ‘Kinderen hebben recht op het allermooiste. Je moet ze niet afschepen omdat ze nog maar kinderen zijn.’

Simon van der Geest (1978) was niet zo’n jochie dat vanaf het moment dat hij een pen kon vasthouden riep dat hij schrijver wilde worden. Tekenen en uitvinden spraken hem meer aan. Pas tijdens een jaar toneellessen in Noorwegen werd de liefde voor theater aangewakkerd. Op de daaropvolgende docentenopleiding aan de Arnhemse theaterschool groeide z’n behoefte zich uit te drukken in taal. Enthousiasmerende schrijfdocenten aan de HKU, onder wie jeugdboekenschrijver Edward van de Vendel, deden de rest. Sindsdien schrijft hij. Toneel, proza, poëzie – altijd voor een jong publiek.

Omdat de kindertaal dichtbij hem ligt, zegt Van der Geest – lang, bebrild, vriendelijk, nadenkend – in zijn Haarlemse bovenwoning omringd door peuterspeelgoed en kinderboeken. Omdat hij nu eenmaal niks heeft met cynisme. Omdat kinderen in het theater zo direct reageren en met hun stoeltjes gaan lopen klooien als het ze niet zint. Omdat de scheidslijn tussen fantasie en werkelijkheid nog zo prettig poreus is. Dat zijn doelgroep grenzen stelt aan  onderwerpskeuze, spanningsboog en stijl, ervaart hij eerder als inspirerend dan als beperking. “Het zet m’n schrijversmotortje aan.”

Die grenzen heeft Van der Geest in zijn nieuwste toneelstuk Mijn vriend wordt soms een neushoorn flink opgerekt. “Theatertaal is per definitie bijzonderder dan spreektaal. In De neushoorn heb ik zoveel mogelijk niet bestaande woorden en klanken gebruikt – ook als experiment. En ik heb een hoofdpersoon opgevoerd die bijna niets zegt. Het mooie aan een theatertekst is dat die wordt uitgesproken – stem, klank en muzikaliteit spelen een rol. In proza en poëzie kun je een stilte schrijven, in het theater hoor je hem ook vallen.”

Niet dat Van der Geest theater verkiest boven het gedrukte woord. Hij mag dan van dialogen houden, dat geldt evenzeer voor proza en poëzie als voor toneel. De genres zijn voor hem complementair, ze beïnvloeden en inspireren elkaar. Soms letterlijk, zoals hij het toneelstuk Spinder (Het Lab, 2007, onlangs nog op een festival in Zürich opgevoerd als Spinnerling) nu omwerkt tot een kinderboek (“dat project leverde zoveel materiaal op”). Soms ook indirect: zijn debuut Geel gras (2009) werd geroemd om de scenische, stijl, de dramaturgisch interessante opbouw – prompt meldde zich een filmproducent.

Dat eerste kinderboek lag lange tijd in een laatje tot een redacteur van Querido het eruit viste. Van der Geest had een aantal gedichten naar de uitgeverij gestuurd, waarop hij een briefje ontving: we vermoeden dat je ook goed bent in proza. Heb je toevallig iets liggen?

Toevallig wel. Hoewel er wel wat gebeurd is tussen dat laatje en het uiteindelijke kinderboek. “Ik moest me het genre nog eigen maken,” zegt Van der Geest, die tot dat moment vooral voor theater schreef. “Een toneeltekst is een halfproduct, je laat ruimte voor de regisseur en acteurs. Een boek moet ruimte laten voor de lezer, maar dat is een ander soort openheid. M’n redacteur vond mijn eerste versie van het verhaal ‘koud’. Verdomd, dacht ik. Dat is die openheid die je bij toneel nodig hebt, maar die je in een boek meer moet invullen.”

Inmiddels is ook zijn tweede boek verschenen, Dissus (2010), een Odyssee-bewerking geschreven in staccato, poëtisch proza, waarin hij zijn eigen jeugd mixte met de avonturen van Homerus’ held. Tien jongetjes slierten door de Hollandse polder waarbij er enkele – zij het in gestileerde vorm – op gewelddadige wijze om het leven komen. Nee, hij schuwt dood en ongeluk niet, zegt Van der Geest. In zijn toneelstuk Iemand issum, niemand issum (Citadel, 2010) belandt een personage in een rolstoel door toedoen van anderen.  En Het Zwanenmeer dat hij op dit moment bewerkt voor Holland Opera Express kent ook een duistere kant. Met zijn teksten wil hij aan wezenlijke thema’s raken, en in de mens zit nu eenmaal een hoop narigheid, woede en drang om dingen kapot te maken. “Als het voor kinderen is, gaat de discussie er al snel over of het happy moet eindigen. Ik ben nog aan het verkennen hoe ik daarin sta. Je moet in ieder geval eindigen met hoop. Maar als schrijver ben ik geen pedagoog, ik heb literaire ambities. Een verhaal kan op veel manieren bijzonder zijn. Dat kan zitten in de spanningsopbouw of de humor, maar ook in de poëzie of de muzikaliteit van een tekst. Kinderen hebben recht op het allermooiste. Je moet ze niet afschepen omdat ze nog maar kinderen zijn, juíst niet.”

Mijn vriend wordt soms een neushoorn van Theatergroep Kwatta is 3/4 te zien in De Krakeling.

Social Bookmarks

Reacties (0)

Reageer op dit artikel

Vul aub uw naam en e-mailadres in. Het e-mailadres wordt niet getoond op de website.

Annuleer Reactie wordt geplaatst...