‘Steek ik mijn hoofd door de ritsopening van mijn tentje en wat zie ik: het veldje is leeg. Mijn vader en moeder vertrokken. Auto weg. Hun grote tent weg. Alleen mijn tentje staat er nog. En de afwasteil. En de waslijn met twee rode theedoeken. Zijn ze ook vergeten.’
Keepvogel, Coppernickel, Krawinkel, Grand-Bec, Kappefugl. De hoog op de benen staande fantasievogel van Wouter van Reek, steevast gekleed in een slobberige rode capuchontrui, verovert langzaam de wereld. In het onlangs verschenen Keepvogel – Het diepste gat beleeft de wat onhandige held alweer z’n vijfde avontuur. Toch wil het in eigen land nog niet echt lukken met zijn doorbraak naar het grote publiek, nominaties en prijzen ten spijt.
Voorlezen is belangrijk, geen mens die daaraan durft te twijfelen. Het is goed voor de woordenschat, de taalontwikkeling, en daarbij is het reuzegezellig, met zo’n frommeltje en een boek op de rand van het bed.
Het dreigt onaangenaam te worden in de eens zo gemoedelijke kinderboekenwereld. Eigenlijk was het dat al een tijdje, maar tot nu toe werd daarover slechts stilletjes gemord, zo zachtjes dat niemand het hoorde. Sinds Sjoerd Kuyper, gelauwerd schrijver van een omvangrijk oeuvre voor kinderen en volwassenen, op 13 mei in zijn Annie M.G. Schmidt-lezing echter openlijk kritiek uitte op de gang van zaken in het kinderboekenvak, rommelt het. Wat is er gebeurd? Een reconstructie.
Ineens was hij opgeheven, de prijs voor het mooiste jeugdboek voor lezers vanaf 12 jaar. Geen aankondiging, geen persbericht – slechts een korte mededeling op de site van de Stichting CPNB: ‘De Gouden en Zilveren Zoenen worden niet meer uitgereikt.’
Een bekroning voor z’n oeuvre heeft hij al een tijdje in huis, maar Peter van Gestel (1937) schrijft rustig door. Twee jaar geleden werd hij met de Theo Thijssen-prijs bijgezet op de Olympus van kinderboekenauteurs. Nu is er Kleine Felix, een fraai vormgegeven jeugdroman met op het omslag een tekening van William Steig uit de New Yorker.