‘Ik houd gewoon niet van kinderen’

Waarom kinderboekenschrijvers niet van hun lezers hoeven houden

Geplaatst op donderdag, 13 oktober 2011. Categorie: Kinderboeken, Vrij Nederland, Achtergrond

Zou Arnon Grunberg ooit zijn gevraagd of hij gek op zijn lezers is? Of W.F. Hermans of hij van mensen hield? Als het ze is gevraagd, dan was het antwoord van geen belang: schrijvers moeten goede boeken schrijven, hoe ze zich verhouden tot degenen die ze lezen is irrelevant.

Voor kinderboekenschrijvers gelden andere regels. Zodra hun beroep ter sprake komt, klinkt de besliste veronderstelling: ‘Dan zal je wel veel van kinderen houden.’ Alsof het de enige legitieme motivatie is voor hun vak. Alsof het onmogelijk is voor deze doelgroep te schrijven zonder je bij voortduring enthousiast in hun midden te begeven. Terwijl het toch niet de minsten zijn die zich met enige distantie over hun jonge lezers hebben uitgelaten. ‘You make ’em – I amuse them,’ luidde het nog vriendelijke antwoord van de Amerikaanse schrijver en tekenaar Theodor Seuss Geisel alias Dr. Seuss (1904-1991) op de vraag waarom hij als kinderboekenschrijver zelf geen kinderen had. Onze eigen Annie M.G. Schmidt (1911-1995) zei het al een stuk directer in een televisie-interview met Ivo Niehe. ‘U houdt veel van kinderen, hè,’ vroeg Niehe. ‘Helemaal niet,’ antwoordde Schmidt. ‘Ik zal ze geen schop geven als ze langs komen, maar verder niets speciaals.’ En jeugdboekenschrijfster Miep Diekmann (1925) zei het eind jaren zeventig in een gesprek met Sonja Barend ongeveer zo: ‘Ze denken altijd dat als je over ze schrijft, je ze ook wel leuk zult vinden. Nou, ik vind het etterbakken.’ Om er enigszins vergoelijkend aan toe te voegen: ‘Maar daarover is het wel leuker schrijven dan over die lieve doedeltjes die in vooroorlogse kinderboeken voorkwamen – zo zijn kinderen niet.’

Ja, het is een irritante veronderstelling dat je als kinderboekenschrijver dol op je publiek zou zijn, beaamt Martha Heesen (1948). ‘Ik geloof om te beginnen al niet in “dol zijn op kinderen” en masse. Dat bestaat toch niet? Hoewel er natuurlijk heel leuke kinderen zijn. Kinderen, de ontwikkeling van kinderen, interessant vinden kan wel een drijfveer zijn om kinderboeken te gaan schrijven, als je ze iets wil bijbrengen bijvoorbeeld, als je vindt dat er niet genoeg kinderboeken verschijnen over de klassieke oudheid of de Krimoorlog. Maar voor mij geldt dat niet.’

‘Schrijven voor jonge mensen doe je niet omdat je ze leuk vindt of van ze houdt, zoals je ook niet voor volwassenen schrijft omdat je van ze houdt,’ aldus de Engelse Young Adult-auteur Kevin Brooks. ‘Dat zou een idiote reden zijn. Het enige wat ik doe is een verhaal vertellen. Ik heb geen lezer in gedachten, geen doelgroep, ik schrijf niet voor een bepaalde leeftijd, voor een specifiek geslacht of persoon. Ik schrijf alleen voor het verhaal, voor mezelf. Iedere andere motivatie zou bedrieglijk en onwaarachtig zijn.’

Kinderboekenschrijver en -illustrator Ted van Lieshout (1955) is nooit in kinderen geïnteresseerd geweest. ‘Als kind al niet, ik wilde zo gauw mogelijk volwassen zijn.’ Dat hij boeken voor ze is gaan maken, had te maken met zijn kunstopleiding aan de Rietveld Academie: ‘Ik volgde de richting illustratie. Al snel had ik in de gaten dat je daarmee in de kinderboekenhoek terecht zou komen, als je tenminste niet de reclame in wilde, zoals ik.’ De gedichten die hij daarna maakte, schreef hij niet met een bepaalde doelgroep voor ogen. ‘In de Blauw geruite kiel, de kinderbijlage van Vrij Nederland waarvoor ik tekeningen maakte, las ik gedichten waar die van mij wel een beetje op leken. Ik heb er één onder de neus van redacteur Karel Eykman geduwd die het prompt plaatste. Vanaf dat moment was ik jeugddichter.’

Van kinderboekenschrijfsters wordt nog vanzelfsprekender aangenomen dat ze dol op kinderen zijn dan van hun mannelijke collega’s, constateert Jan Paul Schutten (1970), schrijver van non-fictie voor kinderen en partner van kinderboekenschrijfster Bibi Dumon Tak (1964). ‘Bibi krijgt altijd de vraag waarom ze geen kinderen heeft, terwijl ze toch voor ze schrijft.’ Zelf is Schutten duidelijk over zijn kinderwens: die heeft hij niet. ‘Ik houd gewoon niet van kinderen. Die van familie zijn natuurlijk leuk en er zijn uitzonderingen, maar ik vind dieren zo ontzettend veel leuker. Bij baby’s denk ik nooit: wat een leuke baby, mag ik hem even vasthouden, bij jonge hondjes denk ik dat wel. Ik ben schrijver. Ik heb affiniteit met schrijven, niet met kinderen. Het is kortzichtig te denken dat daar een verband tussen is. Dat ik mijn eerste boek Ruik eens wat ik zeg over de taal van dieren en planten voor kinderen schreef, had een simpele reden: ik ben geen bioloog. Een boek over zo’n onderwerp voor volwassenen zou in mijn handen geen bestaansrecht hebben. Op die manier kwam ik uit bij lezers van een jaar of negen. Niet omdat ik die zo fantastisch vind, maar omdat ik een specialistische generalist ben. Net als een kind hoef ik niet alles van een onderwerp te weten, ik schrijf alleen op wat ik zelf interessant vind. Wat mij niet boeit, komt er niet in, ook niet als ik weet dat kinderen het wel leuk vinden.’

Schutten noemt de doelgroep een bijkomend kwaad van zijn beroep. Zoals voor zoveel schrijvers vormen scholenbezoeken een substantiële aanvulling op zijn inkomsten. ‘Van te voren voelt het als corvee, maar ik moet toegeven dat ik er na afloop vaak een goed gevoel aan overhoud – zoals je dat ook bij sporten kunt hebben. In de jaren dat ik scholen bezoek, heb ik kinderen wel zien veranderen. Ze zijn tegenwoordig minder beschaafd. “Hè bah, kinderboeken,” zei laatst een kind in groep acht. Zulke dingen maak ik vaker mee. Zelf speelde ik op die leeftijd nog met playmobile, nu zijn twaalfjarigen vroege hangjongeren. Docenten laten het zover komen, dat is hier anders dan in het buitenland. In België merk je al dat kinderen beter zijn opgevoed en als je in Frankrijk een restaurant binnenstapt, zitten ze keurig aan tafel. Bij ons krijgen kinderen carte blanche om irritant te zijn.’

Illustratrice Noëlle Smit (1972), bewust kinderloos – ‘de verontwaardiging als je zegt dat je geen kinderen wilt, niet te geloven’ – heeft dit jaar alle verzoeken voor schoolbezoeken onbeantwoord gelaten. ‘Dertig kinderen voor m’n neus, het jaagt me angst aan,’ zegt ze. ‘Ze zijn zo grillig in hun reactie. Ik sta niet graag publiekelijk in de belangstelling, Niet voor niets heb ik gekozen voor een beroep waarbij ik m’n hele leven in m’n eentje achter een vel papier kan zitten. De eerste keer dat ik op een school kwam, hadden ze vier of vijf kleuterklassen bij elkaar gezet. Is dat niet een beetje veel, dacht ik nog, maar op zo’n moment verander je daar niets meer aan. Ik eindigde m’n verhaal met een rondje open vragen stellen. Fout! Het volgende moment had ik negentig door elkaar schreeuwende kleuters voor me. Ik werd gered door de bel, de ouders stonden al te wachten, die kregen een stel überhysterische kinderen mee naar huis. Collega’s vragen of ik het geld van die schoolbezoeken niet mis, dat het toch een goede bron van inkomsten is. Maar ik heb een week stress van te voren en moet na afloop een week bijkomen, dat is het me niet waard.’

Ook Ted van Lieshout is niet erg gecharmeerd van kleuters. ‘Ze willen altijd zelf de aandacht, daar heb ik geen geduld voor. Vertel ik een leuk verhaal over een hond, dan staat er één op en zegt: “Ik heb een konijntje.” Ja, denk ik dan, het zal best dat jij een konijntje hebt, maar ik ben van m’n à propos. Dan sta ik liever voor groep vijf, op die leeftijd beginnen kinderen humor te ontdekken en zelf te gebruiken. Voor twee uurtjes vind ik dat fijn, als ze daarna maar weer naar huis gaan.’

Martha Heesen bezoekt helemaal geen scholen meer. ‘Ik heb het vroeger wel gedaan, maar je moet er sociaal voor zijn, en vlot, en vriendelijk, en weerbaar, en zelfbewust, en vooral niet verlegen, en je moet een goede stem hebben, en je moet “dol zijn op kinderen” of desnoods doen alsof. Dus ja… De keren dat het echt leuk was, en dat was dan meestal in Vlaanderen, waar de houding ten opzichte van taalontwikkeling en lezen en ook opvoeding aanzienlijk prettiger is dan hier, had ik dat vooral te danken aan lieve, geïnteresseerde leerkrachten of bibliothecarissen. Contact met mijn lezers zie ik niet als essentieel voor mijn beroep. Ik vind het er eigenlijk mee in strijd. Wat ik te melden heb staat zwart op wit in m’n boeken.’

Niet de kinderen zijn het uitgangspunt, maar het vak, het maken van boeken, vindt Ted van Lieshout: ‘Veel collega’s gaan uit van kinderen, die schrijven niet vanuit hun eigen kunstgevoel, maar vanuit een meelevendheid met het kind. In het beste geval leidt dat tot toegepast kunst. Eigenlijk kun je kinderboekenmakers verdelen in twee groepen: tot de eerste behoren leraren, vaders en moeders die vanuit hun belangstelling voor kinderen naar het schrijversvak zijn toegegroeid. De andere groep bestaat uit mensen die een kunstopleiding volgen en daar ontdekken dat hun kunstenaarschap het beste aansluit bij een kinderpubliek.’

Martha Heesen behoort tot de tweede groep. ‘Ik liep altijd rond met een verhaal in mijn hoofd, waar ik almaar aan verder spon. Een vorm van escapisme geloof ik. Ik schiep een wereldje, daar ging het me om. Daar gaat het me nog steeds om. Dat verhaal ben ik op gaan schrijven. Zo begon het. En blijkbaar observeer ik de wereld graag vanuit een kinderhoofd. Ook escapisme. Leve de afzijdigheid.’

Social Bookmarks

Reacties (0)

Reageer op dit artikel

Vul aub uw naam en e-mailadres in. Het e-mailadres wordt niet getoond op de website.

Annuleer Reactie wordt geplaatst...