‘Wat ben jij toch een pedant jongetje,’ zegt de meneer uit het romandebuut Mijn meneer van kinderboekenmaker Ted van Lieshouts tegen de elfjarige hoofdpersoon. Als lezer geef je hem stilletjes gelijk. Pedant en irritant, met het vanzelfsprekende air waarmee hij over zijn eigen teken- en kleikunsten spreekt. De knutsels van zijn klasgenoten verdwijnen na afloop van de les roemloos terug in de kleiteil, maar die van Ted worden gebakken en in de vensterbank geplaatst, en dat begrijpt hij best. De lezer begrijpt vooral dat diezelfde klasgenoten er een paar hebben kapotgegooid.