Van Abeltje tot Zoop

25 jaar Cinekid

Geplaatst op dinsdag, 11 oktober 2011. Categorie: Parool, Boeken, Achtergrond

Cinekid bestaat 25 jaar. Het internationale mediafestival voor kinderen viert het jubileum met een boek over het succes van de Nederlandse jeugdfilm. Van Abeltje tot Zoop schetst een levendig beeld van ruim een eeuw kinderfilmgeschiedenis en bevat een schat aan filmweetjes.

Kind zijn van een filmregisseur of -producent kan helpen bij een carrière als acteur. Producent Dave Schram en regisseur Maria Peters castten hun zoon Quinten voor het titelpersonage in Pietje Bell (2002). In 1937 zette regisseur G.B.H. Niestadt zijn driejarige zoontje voor de camera als Dik Trom. Dat de peuter nog niet behoorlijk kon praten, werd praktisch opgelost: de rol werd nagesynchroniseerd door een volwassen vrouw. Een kleine twintig jaar later had producent en regisseur Henk van der Linden moeite met het vinden van een donkere jongen voor zijn Sjors en Sjimmie-verfilming. Hij schminkte zijn dochter (!) zwart en bestempelde haar tot een van de hoofdpersonen van zijn film.

Esther Schmidt en Sabine Veenendaal schreven met Van Abeltje tot Zoop een boek over de geschiedenis van de Nederlandse jeugdfilm, waarin bovenstaande feiten zijn verzameld. Het met foto’s, filmstills en knipsels geïllustreerde overzicht verschijnt ter gelegenheid van het jubilerende Cinekid, dat met 55.000 bezoekers per jaar het grootste multimediafestival voor kinderen ter wereld is. Morgen gaat de vijfentwintigste editie van start op het Westergasfabriekterrein, met als openingsfilm Patatje oorlog, gebaseerd op het bekroonde kinderboek Een kleine kans van Marjolijn Hof (en dus niet op Patatje oorlog van Derk Visser). In een kwarteeuw ontwikkelde Cinekid zich van een televisiehoekje met een scherm, een videorecorder en wat zitkussens in cultuurcentrum de Meervaart tot een tiendaags festijn met een internationale programmering en een mondiaal bereik.

Schmidt en Veenendaal, beiden sinds jaren werkzaam in de kinderfilmindustrie, blijken niet alleen goed in het verzamelen van anekdotes, hun boek biedt ook een gedegen overzicht van een niet eerder beschreven deel van onze filmgeschiedenis. Treurig is dan ook dat de positieve ontwikkeling die zij schetsen (van amateuristische, zwijgende korte film begin twintigste eeuw tot volwaardige speelfilm bekroond op internationale filmfestivals) zo wrang contrasteert met de situatie waarin Cinekid zich op dit moment bevindt: het festival wordt zwaar getroffen door de cultuurbezuinigingen. Vanaf 2013 verliest het z’n jaarlijkse rijkssubsidie van negen ton, een groot bedrag op een omzet van 2,4 miljoen. Bovendien is de organisatie bang voor verder teruglopende inkomsten door gemeentebezuinigingen van Amsterdam, aldus festivaldirecteur Sannette Naeyé. “De bezuinigingen van het rijk hebben niets te maken met het functioneren van Cinekid. We voldoen aan alle eisen van de minister, scoren op educatie en op onze activiteiten voor het primair onderwijs zelfs extra. In Amsterdam bereiken we één op de vier, vijf kinderen, landelijk bereiken we acht à negen procent van alle basisscholen. Veel beter kun je het als festival niet doen. We hebben gewoon ontzettende pech dat de bezuinigingen per sector zijn gegaan en dat wij onder meer onder het kopje “festivals” vielen, een categorie waarin ook het Holland Festival, het IDFA en het Filmfestival in Rotterdam zaten. Maar we geven de moed niet op, ik kan me niet voorstellen dat dit het einde van Cinekid is. We hopen op een welwillend oor bij het Nederlands Fonds voor de Film en het Fonds voor Cultuurparticipatie. En er komt een nieuwe belastingregeling, die het aantrekkelijk maakt cultuur te steunen. We gaan ons uiterste best doen mensen te overtuigen dat we hun steun nu hard nodig hebben.”

Ondanks de sombere vooruitzichten heeft de Nederlandse kinderfilm het nog nooit zo goed gedaan. Het genre floreert met een recordaantal van twaalf nieuw uitgebrachte films dit jaar. Buitenlandse festivalprogrammeurs en distributeurs roemen de Nederlandse jeugdfilmcultuur en het vermogen van filmmakers humor te paren aan serieuze emoties. Nederlandse regisseurs staan over de grens bekend als mensen die weten hoe ze kinderen moeten regisseren. En last but not least: Nederlandse kinderfilms reflecteren een maatschappij die steeds multicultureler wordt.

In Van Abeltje tot Zoop wordt beschreven hoe de Nederlandse kinderfilm die gewaarde status heeft bereikt. Schmidt en Veenendaal beginnen hun boek rond 1900, een periode waarin films nog geen geluidsband hadden en de dialogen van titelkaarten werden voorgelezen door een zogenaamde explicateur, die als taak had het publiek het verhaal te laten begrijpen. Staand voor het scherm, de voorstelling verlevendigend met passende geluiden en rare stemmetjes, gold de explicateur als de held van de cinema die na afloop met applaus en bloemen werd overladen. Prachtig is de foto waarop meisjes met vlechten en strikken in hun haren naast jongens met opgeschoren koppies gebiologeerd naar een filmscherm staren, de explicateur nonchalant poserend in een hoek.

Via Pinkeltje-auteur Dick Laan, die zijn carrière begon als korte speelfilmmaker voor kinderen, schakelen de auteurs door naar G.B.H. Niestadt die met Dik Trom in 1937 de eerste lange speelfilm voor kinderen produceerde. Daartussen door staan de auteurs stil bij de maatschappelijke discussie die ook toen al woedde over de verderfelijke invloed die films volgens velen op de jeugd hadden. Filmzalen waren niet meer dan ‘vermaaklokalen (…) waar aanschouwelijk onderwijs in inbraak, brandstichting, moord, verkrachting en afpersing’ werd geboden, ‘als welkome afwisseling na de “taaie” lessen op school,’ aldus een rapport over het bezoek van Amsterdamse kinderen aan bioscooptheaters. Het debat, geleid door de kerk en het onderwijs, was aanleiding tot het instellen van de filmkeuring, die – in gewijzigde vorm –  nog altijd bestaat.

Met de ontwikkeling van de massacultuur en het ontstaan van het doelgroepdenken nam het fenomeen kinderfilm in de jaren vijftig en zestig een grote vlucht. Schmidt en Veenendaal besteden veel aandacht aan de films van de Limburgse Henk van der Linden, die zich zou ontwikkelen tot meest productieve filmer van Nederland. Zijn film Nieuwe avonturen van Dik Trom (1958) heeft 28 jaar onafgebroken in de Nederlandse bioscopen gedraaid.

Toch was het niet Van der Linden, maar Karst van der Meulen die met zijn kinderfilms de eerste stappen zette richting professionalisering van het genre en die bovendien de sociaal-maatschappelijke thematiek introduceerde, die nog steeds typerend is voor Nederlandse jeugdfilms. Oom Ferdinand en de Toverdrank (1974) komt voorbij, maar de veel bekendere televisieserie De Zevensprong (1981) blijft buiten beschouwing; de auteurs beperken zich in hun overzicht tot films die speciaal voor vertoning op het witte doek zijn gemaakt, tv-series die niet tot bioscoopfilm zijn bewerkt, blijven onvermeld.

Vanaf Mijn vader woont in Rio (1989) wordt het boek een feest der herkenning, met anekdotes over de nog steeds actieve filmmakers Burny Bos en Ben Sombogaart, Maria Peters, Simone van Dusseldorp en Tamara Bos, en aanstekelijke verhalen over succesfilms als Abeltje (1998), Kruimeltje (1999) en Minoes (2001). Aardig is tenslotte het hoofdstuk over de ontwikkeling van de kindercasting en de begeleiding van kinderen op de set. Toen Ebbie Tam auditie deed voor de rol van het Chinese meisje in Het paard van Sinterklaas (2005) en een zielige scène moest spelen, stelde ze voor: ‘Zal ik dan huilen?’ Dat hoefde niet, antwoordden de regisseur en casting director, maar Ebbie hield vol dat ze het echt kon, waarop ze groen licht kreeg, de prachtigste tranen in haar ogen opwelden en regisseur en casting director verpletterd achterbleven. Zo terloops kan een mooie kinderfilm dus ontstaan.

 

Weetjes uit Van Abeltje tot Zoop
- Walt Disney’s Sneeuwwitje en de zeven dwergen werd in 1938 door de Nederlandse filmkeuring geschikt geacht voor kijkers vanaf veertien jaar.
- Uit het leven van Dik Trom is met acht verfilmingen Nederlands meest verfilmde kinderboek.
- De twaalfjarige Boefje uit de gelijknamige film (1903) werd gespeeld door de vijfenveertigjarige actrice Annie van Ees, nadat ze de rol eerder vijftienhonderd keer op toneel had vertolkt.
- Onder invloed van Annie en ET wijzigde producent Matthijs van Heijningen het perspectief  in Ciske de rat (1984) van onderwijzer Bruis naar straatschoffie Ciske Vrijmoeth.
- Minoes (2001) is met 837.592 de best bezochte kinderfilm van de afgelopen tien jaar.

Van Abeltje tot Zoop
Esther Schmidt en Sabine Veenendaal
Hoogland & Van Klaveren, € 19,90

Cinekid vindt plaats van 12 t/m 21 oktober op het Westergasfabriekterrein.
www.cinekid.nl

Social Bookmarks

Reacties (0)

Reageer op dit artikel

Vul aub uw naam en e-mailadres in. Het e-mailadres wordt niet getoond op de website.

Annuleer Reactie wordt geplaatst...